Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1124

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
19/698 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:478, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft als grond in hoger beroep aangevoerd dat uit de Wet WIA volgt dat hij bevoegd is om te verhalen op betrokkene. Betrokkene heeft - samengevat - bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft het bestreden besluit doen steunen op artikel 84, derde lid, van de Wet WIA. Aan betrokkene is de in artikel 1 van de Wet WIA bedoelde toestemming niet verleend. Naar de letter van de wet is betrokkene dan ook geen eigenrisicodrager en kan het Uwv aan artikel 84, derde lid, van de Wet WIA niet de bevoegdheid tot verhaal ontlenen. Een uitdrukkelijke bevoegdheid om in een situatie als hier aan de orde te verhalen op een omslaglid als betrokkene is evenmin in de Wet WIA opgenomen. Een grammaticale wetsuitleg leidt niet tot het door het Uwv beoogde gevolg. Voor een ruimere uitleg van het begrip eigenrisicodrager biedt de Wet WIA geen grondslag. De in de wet opgenomen definitie van het begrip eigenrisicodrager is sluitend en niet voor meerdere uitleg vatbaar. Uit het vorenstaande volgt dat de Raad niet de opvatting van het Uwv deelt dat op basis van interpretatie de wet voldoende grondslag biedt om een belastend besluit als in geding op te baseren. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank ter zake. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep van het Uwv niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet op deze uitkomst en de motivering daarvoor behoeft het hoger beroep van betrokkene geen aparte bespreking. is aanleiding om van het Uwv een griffierecht te heffen van € 541,- en om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene voor verleende juridische bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/340
NJB 2021/1594
RSV 2021/119
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 698 WIA, 19/915 WIA

Datum uitspraak: 11 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

24 januari 2019, 18/1019 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft [naam] hoger beroep ingesteld.

Partijen hebben aanvullende hogerberoepsgronden en gronden van verweer ingediend.

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft, gevoegd met de andere zaken van betrokkene bekend onder de nummers 19/3362 WIA en 19/3363 WIA, plaatsgevonden op 7 december 2020. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door mr. K. van Someren. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] . Na het onderzoek ter zitting zijn de zaken gesplitst.

De enkelvoudige kamer heeft de onderhavige zaken verwezen naar de meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2021. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door mr. K. van Someren. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] .

OVERWEGINGEN

1. Betrokkene heeft per 1 juli 2016 de onderneming [onderneming] overgenomen, waar zij voordien zelf werkzaam was. [onderneming] was eigenrisicodrager voor de WIA en droeg ook het risico van de WIA-uitkering van een ex-werknemer. Bij besluit van 20 juli 2017 heeft het Uwv € 1.393,13 op betrokkene verhaald, omdat betrokkene het risico draagt voor de WGA-uitkering van die ex-werknemer. Betrokkene heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 8 januari 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard in die zin, dat bij het verhaal van de maand juli 2017 per 18 juli 2017 wordt uitgegaan van een uitkeringspercentage van 50,75% van het minimumloon in plaats van 70%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het primaire besluit van 20 juli 2017 herroepen, alsmede bepalingen gegeven omtrent de vergoeding van wettelijke rente, proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft overwogen dat in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) niet is voorzien in een bevoegdheid voor het Uwv om de WGA-uitkering te verhalen op een overnemend omslaglid als betrokkene. De rechtbank heeft in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 84 van de Wet WIA onvoldoende aanknopingspunten gevonden om het ervoor te houden dat het de onmiskenbare bedoeling van de wetgever is geweest om die bevoegdheid wel aan het Uwv toe te kennen.

3.1.

Het Uwv heeft als grond in hoger beroep aangevoerd dat uit de Wet WIA volgt dat hij bevoegd is om te verhalen op betrokkene.

3.2.

Betrokkene heeft - samengevat - bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Het Uwv heeft het bestreden besluit doen steunen op artikel 84, derde lid, van de Wet WIA. Dit artikel luidt als volgt:

"Indien de eigenrisicodrager de uitkering en de overlijdensuitkering niet betaalt, betaalt het

UWV deze uitkering en deze overlijdensuitkering en verhaalt het UWV de uitkering en de

overlijdensuitkering, alsmede de op grond van enige wet over deze uitkering en deze

overlijdensuitkering verschuldigde premies die niet op deze uitkering en deze

overlijdensuitkering in mindering kunnen worden gebracht en de verschuldigde

inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, over deze

uitkering en deze overlijdensuitkering, op de eigenrisicodrager. Op de eigenrisicodrager

wordt evenwel niet verhaald hetgeen deze, als hij de uitkering en de overlijdensuitkering

wel had betaald, op grond van het tweede lid op het UWV had kunnen verhalen.”

In de Wet WIA is het begrip eigenrisicodrager in artikel 1 als volgt gedefinieerd: “de werkgever aan wie op grond van artikel 40, aanhef en eerste lid, onderdeel b of c, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) toestemming is verleend om zelf het risico te dragen van betaling van het daarvoor in aanmerking komende deel van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of de WGA-uitkering”.

4.2.

Aan betrokkene is de in artikel 1 van de Wet WIA bedoelde toestemming niet verleend. Naar de letter van de wet is betrokkene dan ook geen eigenrisicodrager en kan het Uwv aan artikel 84, derde lid, van de Wet WIA niet de bevoegdheid tot verhaal ontlenen. Een uitdrukkelijke bevoegdheid om in een situatie als hier aan de orde te verhalen op een omslaglid als betrokkene is evenmin in de Wet WIA opgenomen.

4.3.1.

Ten aanzien van het standpunt van het Uwv dat op basis van een wetssystematische, teleologische en grammaticale wetsuitleg de bevoegdheid tot verhaal niettemin wel aanwezig is, overweegt de Raad als volgt. De Raad stelt hierbij voorop dat een besluit tot verhaal een belastende beschikking is waarvoor een deugdelijke grondslag aanwezig dient te zijn.

4.3.2.

Een grammaticale wetsuitleg leidt niet tot het door het Uwv beoogde gevolg. Voor een ruimere uitleg van het begrip eigenrisicodrager biedt de Wet WIA geen grondslag. De in de wet opgenomen definitie van het begrip eigenrisicodrager is sluitend en niet voor meerdere uitleg vatbaar.

4.3.3.

De Raad volgt evenmin de wetssystematische uitleg van verweerder. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat omslagleden die een onderneming overnemen die het eigen risico draagt ook het risico van betaling van een werknemer als hier aan de orde overnemen. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat de wetgever – naar analogie – ook voor ogen heeft gehad het Uwv de bevoegdheid tot verhaal op het omslaglid mogelijk te maken.

4.3.3.

Ook het door het Uwv naar voren gebrachte argument inhoudende dat als het Uwv niet de bevoegdheid zou hebben om bij niet betaling door de werkgever die betaling te kunnen afdwingen door de uitkering op die werkgever te verhalen, de expliciete verdeling van betalingsrisico van artikel 84, leden 2 en 3 van de Wet WIA een dode letter zou zijn, treft geen doel. Van een dode letter is geen sprake. In artikel 40 van de Wfsv is neergelegd op welke wijze een eigenrisicodrager dient te garanderen dat aan zijn verplichtingen richting het Uwv steeds wordt voldaan. Hiertoe is noodzakelijk een schriftelijke garantie waaruit blijkt dat een bank of een verzekeraar zich jegens het Uwv verplicht in het geval dat de eigenrisicodrager niet aan zijn verplichtingen voldoet, deze door de bank of de verzekeraar worden nagekomen. Zo’n garantie moet voor onbepaalde tijd worden gegeven en dient zich uit te strekken tot de rechtsopvolgers onder algemene titel van de eigenrisicodrager en tot het risico dat overgaat op de verkrijgende werkgever, bedoeld in artikel 82, derde lid, van de Wet WIA. Deze regeling heeft tot gevolg dat het Uwv in een situatie als de onderhavige - op eenvoudige wijze - kan verhalen en buiten de regeling tussen beide ondernemingen blijft.

4.4.

Ook de wetsgeschiedenis biedt geen aanknopingspunten voor het standpunt van het Uwv dat is beoogd verhaal op een overnemend omslaglid mogelijk te maken of verplicht te stellen. Eerder zijn daar aanwijzingen voor het tegendeel te vinden. De Raad wijst op de nota van wijziging van 19 september 1996, 24698, nr. 10, pagina 24 in de laatste alinea en op pagina 25 eerste alinea en op de memorie van antwoord in de Eerste Kamer van 24 februari 1997, 24698, nr. 97b, pagina 35. Het standpunt van het Uwv dat in de Verzamelwet SZW 2020 aan artikel 84 WIA lid 7 is toegevoegd dat regelt dat het Uwv mag verhalen op de overnemende werkgever, maakt het vorenstaande niet anders. Uit de memorie van toelichting (TK 2018/19, 35275, nr. 3, pagina 15, XIX) volgt dat tot dan niet expliciet in de wet was opgenomen dat het Uwv in deze situaties mocht verhalen. Weliswaar wordt ook aangegeven dat de wetgever steeds heeft bedoeld verhaal ook op het omslaglid mogelijk te maken, maar voor de juistheid van dat standpunt heeft de Raad - zoals het vorenstaande blijkt - geen aanknopingspunten gevonden. De omstandigheid dat de wet - waarop door het Uwv is gewezen - onmiddellijke werking heeft, heeft gelet op de datum van het bestreden besluit geen invloed op dit geschil.

4.5.

Uit het vorenstaande volgt dat de Raad niet de opvatting van het Uwv deelt dat op basis van interpretatie de wet voldoende grondslag biedt om een belastend besluit als in geding op te baseren. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank ter zake.

5. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep van het Uwv niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet op deze uitkomst en de motivering daarvoor behoeft het hoger beroep van betrokkene geen aparte bespreking.

6. Er is aanleiding om van het Uwv een griffierecht te heffen van € 541,- en om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene voor verleende juridische bijstand. Deze kosten worden begroot op 1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor de zitting van 7 december 2020 en 0,5 punt voor de nadere zitting van 30 maart 2021. De waarde van 1 punt bedraagt € 534,- waardoor de proceskosten in totaal worden begroot op € 1.335,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.335,-;

  • -

    bepaalt dat van het Uwv een griffierecht wordt geheven van € 541,-.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en J. Brand en A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2021.

(getekend) E.W. Akkerman

De griffier is verhinderd te ondertekenen.