Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1114

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
19/3826 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid te verlenen gebruikelijke hulp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3826 WMO15, 19/4897 WMO15

Datum uitspraak: 12 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 augustus 2019, 18/6142 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.F. van Willigen, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om het college te veroordelen tot vergoeding van schade.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 11 november 2019 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2021. Namens appellante is haar kleinzoon, [X], verschenen, bijgestaan door mr. Van Willigen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Roelen en E. Bruggink.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is bekend met een hoge bloeddruk, diabetes, obesitas en knieproblemen. Op 3 mei 2018 heeft appellante een aanvraag ingediend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor begeleiding en hulp bij het huishouden.

1.2.

Het college heeft bij besluit van 18 juni 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 oktober 2018 (bestreden besluit), de aanvraag van appellante afgewezen op de grond dat de begeleiding en hulp bij het huishouden bij wijze van mantelzorg kan worden geboden door haar inwonende kleinzoon en een kleindochter, die elders woont, dan wel dat er sprake is van gebruikelijke hulp van de inwonende kleinzoon. Omdat de beperkingen aldus worden weggenomen is er volgens het college geen aanleiding voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat niet blijkt wat de precieze hulpvraag van appellante is, meer in het bijzonder op welke levensterreinen zij beperkingen in haar zelfredzaamheid en participatie ervaart en gelet daarop welke vorm van maatschappelijke ondersteuning door appellante wordt gewenst. Een onderzoek naar de vraag of en zo ja, in hoeverre deze beperkingen haar daadwerkelijk belemmeren in de zelfredzaamheid ontbreekt eveneens. Nadat het college de totale ondersteuningsbehoefte van appellante heeft vastgesteld zal het college moeten beoordelen of in deze ondersteuning geheel of gedeeltelijk kan worden voorzien door de inwonende kleinzoon. Wanneer het, zoals in het onderhavige geval, gaat om schoonmaakwerkzaamheden en het doen van administratie, kan in redelijkheid van de kleinzoon worden verwacht dat hij deze hulp levert. Dat de kleinzoon drukbezet is met studie en werk doet hieraan niet af. Immers, wanneer hij een eigen huishouden zou hebben, zou hij deze werkzaamheden ook moeten verrichten naast zijn studie en werk.

3. Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

4. Het college heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 11 november 2019 een nieuwe beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen. Het college heeft het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 juni 2018 opnieuw ongegrond verklaard. Hieraan ligt, voor zover hier van belang, ten grondslag dat appellante beperkingen heeft en dat zij behoefte heeft aan onder meer hulp bij het huishouden voor vier uur per week en hulp bij het verzorgen van de administratie. Gelet op het feit dat de kleinzoon van appellante bij haar inwoont en geen fysieke of psychische beperkingen ondervindt, wordt hij geacht gebruikelijke hulp te bieden.

5. Appellante kan zich niet verenigen met bestreden besluit 2. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat van de kleinzoon geen gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Hij volgt een fulltime hbo-opleiding en heeft daarnaast een deeltijdbaan. Aan les- en reistijd is hij rond de 50 uur per week kwijt en daarnaast moet hij nog studeren. De kleinzoon moet nu een heel huis schoonmaken, groter dan hij zou hebben wanneer hij alleen zou wonen. Ook moet de administratie voor twee personen worden gedaan.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1.

Bestreden besluit 2 wordt, gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede in de beoordeling betrokken.

6.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante vanwege haar beperkingen is aangewezen op hulp bij het huishouden en begeleiding en dat de kleinzoon van appellante tot haar huishouden behoort. Tussen partijen is in geschil of de kleinzoon de door appellante benodigde ondersteuning als gebruikelijke hulp kan verlenen.

6.3.

De beroepsgrond van appellante slaagt niet. Het college heeft een individuele beoordeling gemaakt en heeft toegelicht dat in dit geval de aard van de werkzaamheden, de situatie van de aanvrager, de beperkingen van de huisgenoot en het soort hulp bij de beoordeling is betrokken. Het gaat hier voornamelijk om huishoudelijke werkzaamheden en het doen van de administratie. Het betreft geen specialistische zorg. Daarnaast heeft het college toegelicht dat een druk bestaan op zichzelf nog geen reden is om af te zien van het verlenen van gebruikelijke hulp. In dit geval is niet gebleken van dreigende overbelasting en heeft de kleinzoon geen medische beperkingen. Het college heeft zich met deze toelichting op het standpunt mogen stellen dat van de inwonende kleinzoon mag worden gevergd dat hij de huishoudelijke werkzaamheden en administratie als gebruikelijke hulp verricht. Deze hulp mag immers naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid verwacht worden van de huisgenoot van appellante. De persoonlijke omstandigheden van de kleinzoon maken in dit geval niet dat de door hem te verrichten taken, de van een inwonend, volwassen huisgenoot te verwachten gebruikelijke hulp overstijgt.

6.4.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond zal worden verklaard. Voor toewijzing van het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade is daarom geen grond.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 11 november 2019 ongegrond;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en R.E. Bakker en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van B.H.B. Verheul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2021.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) B.H.B. Verheul