Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1112

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
20/3323 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Verzoek om een vergoeding voor tandheelkundige behandeling terecht afgewezen. Met het herstel in 2000 is voldaan aan het besluit van 16 maart 2000 en zijn de uit de vervolging voortvloeiende gebitsklachten hersteld. De behandeling van de huidige klachten moeten dan ook worden beschouwd als normaal onderhoud, aldus de tandheelkundig adviseur van verweerder. De Raad heeft geen gegevens aangetroffen die aanleiding geven voor twijfel aan dit oordeel. De weigering om de kosten van de tandheelkundige behandeling te vergoeden houdt dus stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 3323 WUV

Datum uitspraak: 12 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 augustus 2020, kenmerk BZ011379221 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren in 1936, is erkend als vervolgde in de zin van de Wuv. Aanvaard is dat zij psychische klachten heeft die in verband staan met de ondergane vervolging. Bij besluiten van 16 maart 2000 en 15 oktober 2003 zijn aan appellante vergoedingen toegekend voor de kosten van een eenmalig herstel van de boven- onderscheidenlijk de ondergebitelementen. Daarbij is aanvaard dat de gebitsklachten (met uitzondering van paradontaal lijden) voortvloeien uit de door appellante ondergane vervolging.

1.2.

In april 2020 heeft appellante opnieuw verzocht om een vergoeding voor tandheelkundige behandeling. Bij besluit van 6 mei 2020, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond dat appellante in 2000 een vergoeding heeft ontvangen voor het eenmalig herstel van haar gebit. Daarbij heeft verweerder overwogen dat het huidige herstel noodzakelijk is geworden als gevolg van slijtage van eerdere uitgevoerde behandelingen en dat de hiervoor noodzakelijke kosten van behandeling kunnen worden beschouwd als normale, voor iedereen geldende kosten van levensonderhoud.

2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.

Het beleid van verweerder om in gevallen als deze te volstaan met vergoeding van een eenmalige gebitsrehabilitatie is door de Raad in vaste rechtspraak aanvaard (uitspraak van 22 juni 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AX9737). Het uitgangspunt van eenmaligheid neemt echter niet weg dat ook bij iedere opvolgende aanvraag voor tandartskosten een onderzoek moet worden ingesteld naar de medische noodzaak van de nieuwe behandeling (uitspraak van 11 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5326).

2.2.

Het standpunt van verweerder is gebaseerd op de adviezen van verweerders geneeskundig adviseurs en de tandheelkundig adviseur, tandarts M. Schächter. Daarbij is informatie van de behandelend tandarts betrokken. Van de door appellante gestelde botontkalking is niet gebleken en die vormt dus ook niet de indicatie voor de vervanging van de huidige constructie. Het verlies van het implantaat is mede ingegeven door de lip-anatomie en het niet schoonhouden aldaar. Op basis van de in beroep overgelegde informatie van J.M.A. Smeenk, tandarts-implantoloog, stelt Schächter vast dat een gedeelte van de toentertijd uitgevoerde constructie verloren is gegaan. Deze constructie heeft alle jaren goed gefunctioneerd. Met het herstel in 2000 is voldaan aan het besluit van 16 maart 2000 en zijn de uit de vervolging voortvloeiende gebitsklachten hersteld. De behandeling van de huidige klachten moeten dan ook worden beschouwd als normaal onderhoud, aldus Schächter. De Raad heeft geen gegevens aangetroffen die aanleiding geven voor twijfel aan dit oordeel. De weigering om de kosten van de tandheelkundige behandeling te vergoeden houdt dus stand. Het ontbreken van financiële middelen of de gestelde risico’s verbonden aan een uitneembare voorziening als een gebitsprothese/overkappingsprothese kan niet tot een ander oordeel leiden.

2.3.

Uit 2.2 volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.

3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2021.

(getekend) H. Lagas

(getekend) M. Buur