Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1110

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
20/3422 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Verlaging uitkeringspercentage na overlijden echtgenoot. Korting in verband met inkomsten. In artikel 19 van de Wuv is uitdrukkelijk bepaald welke inkomsten op de uitkering in mindering dienen te worden gebracht. Het gaat daarbij in beginsel om alle inkomsten. Van die dwingende bepaling kan en mag verweerder niet afwijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 3422 WUV

Datum uitspraak: 12 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (U.S.A.) (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 30 juli 2020, kenmerk BZ011373159 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2021. Appellante is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is vervolgde en uitkeringsrechtigde in de zin van de Wuv. Vanwege het overlijden van haar echtgenoot op [sterfdatum] 2020 en het als gevolg daarvan opnieuw vaststellen van de uitkering is appellante verzocht informatie te verstrekken over haar inkomsten.

1.2.

Bij beschikking van 13 maart 2020 is het voorschot van de uitkering bepaald op € 1.049,06 per maand. Na ontvangst van de benodigde financiële gegevens is de uitkering van appellante bij besluit van 14 juli 2020 opnieuw vastgesteld en met ingang van 1 februari 2020 bepaald op € 1.058,68 bruto per maand. Het uitkeringspercentage is verlaagd naar 60. Daarbij is vermeld dat de Social Security-uitkering en het vermogen als inkomstenbronnen in aanmerking zijn genomen en dat daarvan € 640,38 aan inkomsten op de uitkering wordt gekort. De tegen deze besluiten gemaakte bezwaren gericht tegen de hoogte (van het voorschot op) de uitkering zijn bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.

Als gevolg van het overlijden van de echtgenoot van appellante is verweerder gehouden op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wuv de uitkering van appellante opnieuw vast te stellen. Daarbij dient verweerder op grond van artikel 10 van de Wuv het uitkeringspercentage van de aan appellante toekomende uitkering nader te bepalen op 60, het uitkeringspercentage dat geldt voor een alleenstaande vervolgde vanaf de pensioengerechtigde leeftijd.

2.2.

Appellante verzoekt haar overige inkomsten niet op haar uitkering in mindering te brengen gezien de maandelijkse kosten die zij heeft. Dit betoog treft geen doel. In artikel 19 van de Wuv is uitdrukkelijk bepaald welke inkomsten op de uitkering in mindering dienen te worden gebracht. Het gaat daarbij in beginsel om alle inkomsten. Van die dwingende bepaling kan en mag verweerder niet afwijken. Dat appellante door het overlijden van haar echtgenoot zich geconfronteerd ziet met een (aanzienlijke) inkomensachteruitgang kan niets veranderen aan de wettelijke plicht van verweerder om de inkomsten van appellante te verrekenen met haar uitkering. Ook verder is geen grond gevonden voor het oordeel dat verweerder de uitkering van appellante onjuist heeft vastgesteld.

2.3.

De Raad wil nog wel het volgende opmerken. Uit het verweerschrift komt naar voren dat verweerder alsnog heeft aanvaard dat de epilepsie van appellante voortvloeit uit de ondergane vervolging en dat om die reden de eventuele ongedekte medische kosten die hiermee gepaard gaan voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Dit betekent dat appellante de mogelijkheid heeft een aanvraag in te dienen voor een vergoeding van deze ongedekte medische kosten.

2.4.

Uit 2.2 volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2021.

(getekend) H. Lagas

(getekend) M. Buur