Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1108

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
20/87 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het pensioenoverzicht is terecht vastgesteld dat appellant niet verzekerd is over de periode van 1 januari 2000 tot en met 17 januari 2019. Geconcludeerd wordt dat er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de Svb appellant – in weerwil van de wettelijke regeling en het vervallen van artikel 26 KB 746 – als verzekerd dient aan te merken over de periode in geding. Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat het bestreden besluit geen stand houdt en dat de rechtbank ter zake onjuist heeft geoordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 87 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 december 2019, 19/3030 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats], Bulgarije (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 12 mei 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2021. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.H.A. Brauer. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Pieterse.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is geboren in Nederland op [geboortedatum] 1954 en heeft daar gewoond. In 1971 en 1972 heeft appellant in Nederland gewerkt. Met ingang van 1 december 1972 heeft appellant een uitkering ontvangen op grond van Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80% tot 100%. In de jaren ‘80 is appellant met behoud van deze uitkering verhuisd naar Joegoslavië waar hij een gezin heeft gesticht. Hij heeft de WAO-uitkering ontvangen tot hij de pensioengerechtigde leeftijd ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) heeft bereikt.

1.2.

Appellant heeft op 17 januari 2019 een pensioenoverzicht aangevraagd. Bij het pensioenoverzicht van 21 januari 2019 heeft de Svb vastgesteld dat appellant verzekerd is geweest voor de AOW van 6 oktober 1970 tot en met 31 december 1999 en niet verzekerd is geweest voor die wet van 1 januari 2000 tot en met 17 januari 2019.

1.3.

Het bezwaar van appellant tegen het pensioenoverzicht is ongegrond verklaard bij besluit van 24 april 2019 (bestreden besluit). Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant met ingang van 1 januari 2000 niet langer verzekerd is vanwege een wijziging van de regelgeving.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Svb terecht vastgesteld dat appellant niet verzekerd is geweest voor de AOW van 1 januari 2000 tot en met 17 januari 2019, omdat iemand die een WAO-uitkering ontvangt vanaf die datum niet meer op die grond verzekerd is voor de AOW. De rechtbank heeft overwogen dat de Svb appellant niet heeft kunnen inlichten over de wijziging van de regels omdat de Svb voor de aanvraag van het pensioenoverzicht niet van het bestaan van appellant op de hoogte was.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de opbouw van het ouderdomspensioen vanaf 1 januari 2000 heeft doorgelopen, omdat de Svb heeft verzuimd hem in te lichten over de wijziging van de regels. Volgens appellant was hij wel degelijk bekend bij de Svb. Appellant heeft erop gewezen dat hij kinderbijslag heeft ontvangen en dat daarover een briefwisseling heeft plaatsgevonden tussen hem en de Svb. De Svb moet ook hebben geweten dat appellant een WAO-uitkering ontving. Appellant heeft voorts gesteld dat de Svb van het bestaan van appellant moet hebben geweten juist omdat hij voor 1 januari 2000 al ouderdomspensioen heeft opgebouwd. Er was sprake van premievrije opbouw van AOW en daarvan moet melding zijn gedaan aan de bedrijfsvereniging. De beslissing op bezwaar is ongegrond en onzorgvuldig tot stand gekomen, aldus appellant.

3.2.

De Svb heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat hij appellant niet op het wijzigen van de regels heeft kunnen wijzen, omdat de Svb er niet van op de hoogte was dat appellant voor die datum ouderdomspensioen opbouwde. Volgens de Svb was er voor deze datum geen (lopend) dossier van appellant bij de Svb en is er vóór 2010 geen contact geweest tussen appellant en de Svb. Ook is gesteld dat onbekendheid van appellant met de regels er niet toe kan leiden dat verzekering wordt aangenomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In dit geding is ter beoordeling of in het pensioenoverzicht van 21 januari 2019 terecht is vastgesteld dat appellant niet verzekerd is over de periode van 1 januari 2000 tot en met 17 januari 2019.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant volgens de hoofdregel van de AOW niet verzekerd was. Artikel 6, eerste lid, van de AOW stelt daarvoor als voorwaarde ingezetenschap of het ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting zijn onderworpen. Op grond van artikel 26 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden 1999 (Stb. 1998, 746) waren buiten Nederland wonende personen die bepaalde Nederlandse uitkeringen ontvingen, voor 1 januari 2000 onder bepaalde omstandigheden verplicht verzekerd ingevolge de volksverzekeringen. Dit artikel is echter met ingang van 1 januari 2000 vervallen. Ter beantwoording ligt daarom thans voor de vraag of artikel 26, zesde lid van het Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden volksverzekeringen 1999 (Stb. 1998, 746), waarbij is bepaald dat artikel 26 van KB 746 met ingang van 1 januari 2000 komt te vervallen, niet aan appellant kan worden tegengeworpen en in weerwil van artikel 6 van de AOW verzekering moet worden aangenomen.

4.3.

Allereerst wordt vastgesteld dat het al dan niet verzekerd zijn voor de AOW van rechtswege intreedt. Over de aanvang en over het einde van de verzekering plegen geen besluiten te worden afgegeven, uitzonderingen daargelaten, bijvoorbeeld als over het verzekerd zijn een geschil is gerezen of als – zoals in dit geval – een pensioenoverzicht wordt gevraagd. Appellant heeft dan ook geen besluit ontvangen toen hij – op zijn 15e – verzekerd raakte voor de AOW noch toen hij in de jaren ’80 Nederland verliet. Voorts wordt vastgesteld dat de Raad, in het kader van de toetsing aan diverse internationale verdragen, heeft overwogen dat het streven van de regelgever om terug te gaan naar de oorspronkelijke bedoeling van de volksverzekeringen om alleen ingezetenen te verzekeren, als een gerechtvaardigd doel kan worden gekwalificeerd. Het daartoe door de regelgever gekozen middel, beëindiging van de verzekeringsplicht van personen die een Nederlandse langlopende uitkering ontvangen, is geschikt en proportioneel. Daarbij is meegewogen dat personen van wie de verplichte verzekering is geëindigd, in de gelegenheid zijn gesteld zich aansluitend vrijwillig te verzekeren (ECLI:NL:CRVB:2008:BH5599). Tot slot wordt opgemerkt dat de keuze van de regelgever om personen die in het buitenland een Nederlandse sociale zekerheidsuitkering ontvangen niet langer verzekerd te achten voor de AOW, past binnen de uitgangspunten van het internationale sociale zekerheidsrecht waarin voor de vraag op welk land iemand is aangewezen voor zijn sociale zekerheid bepalend is waar wordt gewerkt en, als dat geen aanknopingspunt is, waar wordt gewoond. Appellant mist een deel van de opbouw van de AOW maar voor dat deel is volgens deze regels niet Nederland aangewezen.

4.4.

De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of de door appellant aangevoerde stellingen voldoende grond zijn om te oordelen dat in het bestreden besluit ten gunste van appellant had moeten afgeweken van het dwingend uit de regelgeving voortvloeiende einde van de verzekering per 1 januari 2000. De Raad heeft in zijn rechtspraak in het kader van de toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, onder andere het vertrouwensbeginsel, gewicht toegekend aan het feit dat de Svb rond 2000 heeft gepoogd de uitvoeringsorganen van de WAO te bewegen degenen die het betreft op de hoogte te stellen van het einde van de verplichte verzekering (ECLI:NL:CRVB:2008:BH5599, ECLI:NL:CRVB:2005:AU8520 en ECLI:NL:CRVB:2008:BD1297). Het betoog van appellant wordt opgevat als een beroep op deze rechtspraak en een pleidooi tot toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur contra legem. Daarover wordt als volgt overwogen.

4.5.

Appellant heeft gesteld dat de Svb ervan op de hoogte was dat appellant één van de verzekerden was van wie de verzekering eindigde door wijziging van de wettelijke regeling. Appellant heeft geen stukken overgelegd waaruit dit kan worden opgemaakt. Aannemelijk is dat er geen gegevens van appellant bij de Svb aanwezig waren. Op grond van de AOW is de Svb niet gehouden een administratie bij te houden van alle verzekerden. De opbouw van verzekerde jaren wordt doorgaans pas beoordeeld bij de aanvraag van een pensioenoverzicht of een ouderdomspensioen. De Svb wordt gevolgd in het standpunt dat een verzekerde – in een situatie als die van appellant – daardoor pas ‘in beeld komt’ als hij een aanvraag indient om een pensioenoverzicht vast te stellen of een pensioen toe te kennen. De premie voor de AOW werd en wordt geïnd door de Belastingdienst en niet door de Svb. Anders dan appellant heeft betoogd, heeft de Svb dus evenmin via de band van de premieheffing zicht op wie wel en wie niet verzekerd is. Terzijde wordt voorts opgemerkt dat geen sprake is geweest van premievrije opbouw van het ouderdomspensioen ingevolge de AOW.

4.6.

De brieven van juli en september 2011 van de Svb over de aanvraag van kinderbijslag, waar appellant op heeft gewezen, leiden niet tot een andere conclusie omdat daaruit niet blijkt dat de Svb ten tijde van deze brieven wist dat appellant zich in de situatie bevond van een niet-ingezetene uitkeringsgerechtigde waarvan per 1 januari 2000 de verzekering was geëindigd. Er is geen grond om aan te nemen dat de Svb bij de aanvraag om kinderbijslag in 2011 had moeten vermoeden dat appellant zich in deze situatie bevond. Ter zitting is overigens gebleken dat aan appellant geen kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet is toegekend omdat daaraan in de weg stond dat het woonland, destijds Macedonië, kinderbijslag heeft toegekend voor de kinderen van appellant.

4.7.

Voorts is van belang of de Svb appellant heeft kunnen informeren door de toenmalige uitvoeringsinstantie Cadans – die de WAO-uitkering van appellant betaalde – ertoe te bewegen om in het buitenland woonachtige uitkeringsgerechtigden over het vervallen van de verzekering ingevolge de AOW informatie te sturen. Naar aanleiding van een verzoek om schadevergoeding heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in een brief van 19 februari 2020 meegedeeld dat het Uwv niet weet of appellant destijds door Cadans (of een andere rechtsvoorganger van het Uwv) is geïnformeerd over het vervallen van de verzekering. De Svb heeft toegelicht – wat appellant niet heeft betwist – dat destijds de instanties die de werknemersverzekeringen uitvoerden zijn benaderd met het verzoek de uitkeringsgerechtigden die het betreft te informeren over het vervallen van de verzekering voor de AOW en dat bijvoorbeeld aan uitkeringsgerechtigden die hun uitkering ontvingen van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor deze informatie inderdaad is toegestuurd (vgl. ECLI:NL:CRVB:2012:BV3681). Ook het Gemeenschappelijk Uitvoeringsorgaan heeft uitkeringsgerechtigden bericht (vlg. ECLI:NL:CRVB:2008:BH5599). Of ook Cadans informatie hierover heeft toegestuurd en, zo nee, waarom niet, kan niet meer worden vastgesteld. Wel is aannemelijk dat de Svb zich heeft ingespannen om de toenmalige uitvoeringsinstanties ertoe te bewegen om de betreffende uitkeringsgerechtigden te informeren. Dat Cadans mogelijk (sommige) uitkeringsgerechtigden niet heeft geïnformeerd, kan niet aan de Svb worden tegengeworpen. Ook is de Svb niet tegen te werpen dat dit niet meer kan worden nagegaan. Het ligt in beginsel op de weg van degene die zich in het buitenland vestigt om zich te (blijven) informeren over de gevolgen van het verblijf in het buitenland voor zijn rechten op grond van de AOW. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Raad, waaronder zijn uitspraak van ECLI:NL:CRVB:2012:BX3777. Niet kan worden aangenomen dat de Svb zich redelijkerwijs meer heeft moeten inspannen om appellant te informeren.

4.8.

Appellant heeft voorts een kopie van een brief uit februari 2001 van Cadans overgelegd, die gaat over fiscale aspecten van de WAO-uitkering, waaronder de afschaffing van de overhevelingstoeslag. Appellant moet worden nagegeven dat deze brief vragen oproept, zoals waarom wel (is na te gaan dat) een mailing over deze onderwerpen is verstuurd door Cadans en (mogelijk) niet een mailing over het vervallen van de AOW-verzekering. Ook roept deze brief begrijpelijkerwijs de vraag op of onjuiste adressering wellicht de oorzaak is geweest dat appellant geen informatie heeft bereikt. Deze vragen kunnen er echter niet aan afdoen dat aan de Svb niet kan worden tegengeworpen dat de informatie appellant (kennelijk) niet heeft bereikt. Niet in geschil is dat andere berichten over de WAO-uitkering appellant wel hebben bereikt en het juiste adres van appellant dus bekend was. In aansluiting daarop wordt opgemerkt dat op de verstrekte uitkeringsoverzichten en jaaropgaven inzake de WAO-uitkering is te zien is dat geen premie ingevolge de AOW meer is ingehouden na 1 januari 2000. Voor zover appellant niet op de hoogte zou zijn gesteld over het einde van de verplichte verzekering per 1 januari 2000 wordt overwogen dat appellant bij de eerste uitbetaling van zijn WAO-uitkering in 2000 en bij de jaaropgave over dat jaar had kunnen onderkennen dat niet langer premie volksverzekeringen op zijn WAO-uitkering werd ingehouden.

4.9.

Geconcludeerd wordt dat er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de Svb appellant – in weerwil van de wettelijke regeling en het vervallen van artikel 26 KB 746 – als verzekerd dient aan te merken over de periode in geding. Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat het bestreden besluit geen stand houdt en dat de rechtbank ter zake onjuist heeft geoordeeld.

4.10.

Uit overweging 4.1 tot en met 4.9 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van M.E. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2021.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) M.E. van Donk

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.