Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1094

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
19/2237 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht geweigerd WAO-uitkering toe te kennen. Geen sprake is van een toename van beperkingen uit dezelfde oorzaak. De rechtbank heeft met juistheid de medische beoordeling door het Uwv gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2237 WAO

Datum uitspraak: 6 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 3 mei 2019, 18/4815 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 31 maart 2021. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C. van der Meer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is bekend met het syndroom van Marfan. Appellant is werkzaam geweest als afwashulp. Op 21 juli 1998 is hij uitgevallen voor zijn werk na een val waarna hij aan zijn linker heup is geopereerd. Daaraan heeft hij blijvende klachten en beperkingen aan de linker heup overgehouden. Met ingang van 20 juli 1999 heeft appellant een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend gekregen. Bij besluit van 4 september 2001 is de WAO‑uitkering van appellant per 1 november 2001 beëindigd omdat uit onderzoek door de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige is gebleken dat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 september 2001 heeft het Uwv bij besluit van 11 maart 2002 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

1.2.

Op 1 juni 2017 heeft appellant bij het Uwv gemeld dat zijn gezondheid met ingang van 24 mei 2002 is verslechterd. Hij heeft het Uwv verzocht om hem weer een WAO-uitkering toe te kennen. Naar aanleiding van deze melding heeft appellant op 20 november 2017 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze verzekeringsarts heeft appellant onderzocht en de dossierstukken en de informatie van de behandelend sector bestudeerd. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat de toekenning van de WAO-uitkering was gebaseerd op grond van beperkingen door problemen met de linker heup. Deze klachten zijn gestabiliseerd en daarom is de WAO-uitkering met ingang van 1 november 2001 beëindigd. Na deze datum is appellant vanaf 22 oktober 2002 vijf keer geopereerd aan perianale abcessen waarvan appellant een toename van klachten heeft ondervonden. Omdat de eerdere WAO-uitkering niet was toegekend vanwege klachten als gevolg van perianale abcessen, kan de

WAO-uitkering niet herleven. Deze (nieuwe) klachten komen namelijk niet voort uit dezelfde ziekteoorzaak namelijk de linker heupklachten, waarvoor eerder de WAO-uitkering was toegekend. Bij besluit van 27 november 2017 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen omdat buiten twijfel staat dat de klachten voortkomen uit een andere oorzaak. Bij beslissing op bezwaar van 3 oktober 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 27 november 2017 ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling en conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft terecht geconcludeerd dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde oorzaak als voorheen. De ziekmelding per 24 mei 2002 als gevolg van de perianale abcessen komt voort uit een andere ziekteoorzaak dan die op grond waarvan per 20 juli 1999 een WAO-uitkering is toegekend en die per 1 november 2001 is ingetrokken. Er is volgens het Uwv dan ook geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 43a van de WAO.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep onder verwijzing naar de medische stukken in het dossier nog eens aangevoerd dat er op 24 mei 2002 sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid ten opzichte van de situatie per 1 november 2001. Appellant vindt dat zijn klachten niet serieus zijn genomen. Hij heeft meer klachten en beperkingen en vindt dat hem een

WAO-uitkering toegekend moet worden.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Wat staat er in de wet?

4.1.1.

In artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO, staat dat als de

WAO-uitkering is beëindigd, en er binnen vijf jaar na deze beëindiging van deze

WAO-uitkering er toegenomen arbeidsongeschiktheid is, weer een WAO-uitkering toegekend kan worden. Dit kan als de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de eerdere WAO-uitkering werd genoten en deze vier onafgebroken weken heeft geduurd.

Wat vindt het UWV?

4.1.2.

Het Uwv stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een toename van beperkingen uit dezelfde oorzaak en dat appellant daarom geen recht heeft op een

WAO-uitkering. Het Uwv moet volgens vaste rechtspraak van de Raad motiveren dat buiten twijfel staat dat de per 24 mei 2002 toegenomen arbeidsongeschiktheid voortkomt uit een andere ziekteoorzaak dan de arbeidsongeschiktheid die bestond voorafgaande aan 1 november 2001, de dag met ingang waarvan de WAO-uitkering van appellant is ingetrokken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:278).

Wat is het oordeel van de Raad?

4.1.3.

In het geval van appellant moet bekeken worden of zijn medische beperkingen zijn toegenomen in de periode van vijf jaar na de datum van de beëindiging van zijn WAO‑uitkering. Dat is dus de periode van 1 november 2001 tot 1 november 2006. Verder moet de toename van beperkingen komen door dezelfde ziekteoorzaak. De Raad is het met de rechtbank eens dat dit bij appellant niet het geval is. De Raad zal dit hieronder uitleggen.

4.2.

De Raad is net als de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsartsen voldoende hebben gemotiveerd en buiten twijfel gesteld dat de beperkingen van appellant voor het verrichten van arbeid vanaf 24 mei 2002, niet zijn voortgekomen uit dezelfde oorzaak. De eerdere WAO-uitkering was gebaseerd op klachten van de linker heup. De nieuwe klachten komen voort uit een andere oorzaak namelijk de perianale abcessen. Uit de medische informatie en de verzekeringsgeneeskundige rapporten blijkt dat in de periode dat appellant een

WAO-uitkering ontving geen sprake was van klachten van perianale abcessen. Verder blijkt uit de brief van 5 maart 2019 van klinisch geneticus M.J.H. Baars, dat geen verband kan worden gelegd tussen de klachten van perianale abcessen en de linker heupklachten als gevolg van het syndroom van Marfan. Dit betekent dat de klachten als gevolg van de perianale abcessen in de periode 1 november 2001 tot 1 november 2006 niet kunnen leiden tot een toekenning van de WAO-uitkering omdat buiten twijfel is dat de klachten uit een andere oorzaak komen dan die waarvoor eerder WAO-uitkering is ontvangen.

4.3.

Ook is niet gebleken dat in de periode van 1 november 2001 tot 1 november 2006 sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid gedurende vier weken als gevolg van linker heupklachten. Daarvoor bieden de medische informatie en de onderzoeken van de verzekeringsartsen geen aanknopingspunten.

4.4.

Appellant heeft verder nog aangevoerd dat hij zich in 2010 weer onder behandeling heeft gesteld omdat de linker heupklachten zijn toegenomen. Ook dit kan niet leiden tot een ander standpunt omdat dit te laat is. Het is namelijk buiten de vijfjaarstermijn van artikel 43a van de WAO waarbinnen een WAO-uitkering nog kan worden toegekend. In dit geval loopt die termijn van 1 november 2001 tot 1 november 2006.

4.5.

De rechtbank heeft met juistheid de medische beoordeling door het Uwv gevolgd. Uit overwegingen 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van M. Géron als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2021.

(getekend) J.C. Boeree

(getekend) M. Géron