Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1091

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
20/2384 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opgelegde disciplinaire straf is onevenredig aan de aard en ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 2384 AW, 20/2737 AW

Datum uitspraak: 6 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

27 mei 2020, 19/241 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Hellendoorn (college)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens het college heeft mr. G.H. Boelens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. P. Bots hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2021. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Boelens en E. Weusink. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Bots.

OVERWEGINGEN

1.1.

Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die vóór 1 januari 2020 zijn bekendgemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep.

1.2.

Betrokkene is sinds 15 oktober 1973 in dienst bij de gemeente Hellendoorn. Tot 1 juni 2018 was hij gedurende lange tijd werkzaam in de functie van [naam functie 1].

1.3.

Na daartoe een voornemen aan betrokkene kenbaar te hebben gemaakt, waarop betrokkene zijn zienswijze heeft gegeven, heeft het college met het besluit van 28 mei 2018 (primair besluit) betrokkene met toepassing van artikel 16:1:2, eerste lid, aanhef en onder h, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) bij wijze van disciplinaire straf met ingang van 1 juni 2018 geplaatst in de functie van [naam functie 2] voor onbepaalde tijd, zijnde een functie van twee salarisschalen lager, met vermindering van zijn bezoldiging met één salarisschaal en voorts betrokkene voorwaardelijk strafontslag opgelegd voor de duur van twee jaren. Volgens het college heeft betrokkene zich schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim door, kort gezegd, in strijd te handelen met interne afspraken bij het bestellen en planten van bomen, bij adres 1 één boom onrechtmatig te snoeien en bij adres 2 één boom en één struik onrechtmatig af te zagen.

1.4.

Bij besluit van 19 december 2018 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van betrokkene gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen, voor zover dat betrekking heeft op het voorwaardelijk strafontslag.

2. Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, voor zover daarbij de vermindering van de bezoldiging van betrokkene met één salarisschaal is gehandhaafd. De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene de drie verweten gedragingen niet heeft bestreden. Ten aanzien van de kwalificatie van deze gedragingen heeft de rechtbank geoordeeld dat het in strijd handelen met interne afspraken bij het bestellen en planten van bomen en het zonder overleg en in afwijking van de instructie snoeien van één boom aan adres 1 als plichtsverzuim kunnen worden aangemerkt. Het onrechtmatig afzagen van één boom en één struik aan adres 2 kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als plichtsverzuim, gelet op de niet eenduidige werkinstructie. Ten aanzien van de evenredigheid van de opgelegde straf heeft de rechtbank geoordeeld dat het per 1 juni 2018 voor onbepaalde tijd plaatsen van betrokkene in de functie van [naam functie 2] niet onevenredig is aan het geconstateerde plichtsverzuim. Het verminderen van de bezoldiging van betrokkene met één salarisschaal is naar het oordeel van de rechtbank echter onevenredig aan dat plichtsverzuim.

3. Naar aanleiding van wat partijen in de hoger beroepen hebben aangevoerd, komt de Raad tot de volgende beoordeling.

Omvang van het geding

3.1.

Betrokkene stelt dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden door het snoeien van één boom aan adres 1 als plichtsverzuim aan te merken, omdat deze gedraging, anders dan in het voornemen, in het primaire besluit niet meer expliciet wordt genoemd. Dit betoog slaagt niet. Het college heeft zich in het primaire besluit beperkt tot bespreking van de zienswijze van betrokkene, waaronder die over deze gedraging. Uit deze bewoordingen kan niet worden geconcludeerd dat het college deze in het voornemen verweten gedraging heeft prijsgegeven. Ook in bezwaar is hiervan niet gebleken.

Plichtsverzuim

3.2.

In artikel 16:1:1, eerste lid, van de CAR/UWO is bepaald, voor zover hier van belang, dat de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt deswege disciplinair kan worden gestraft. Ingevolge het tweede lid van dat artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Op grond van artikel 16:1:2, eerste lid, aanhef en onder h, van de CAR/UWO kan als disciplinaire straf worden opgelegd plaatsing in een andere functie voor onbepaalde tijd, met of zonder vermindering van salaris.

3.3.

Niet in geschil tussen partijen is dat betrokkene de verweten gedragingen heeft begaan.

3.4.

Betrokkene betwist dat het in strijd handelen met interne afspraken bij het bestellen en planten van bomen en het onrechtmatig snoeien van één boom aan adres 1 als plichtsverzuim kunnen worden aangemerkt.

3.4.1.

Ten aanzien van het in strijd handelen met interne afspraken bij het bestellen en planten van bomen voert betrokkene aan dat hem geen duidelijke werkinstructie of opdracht is gegeven. Dit betoog slaagt niet. Op de inboetlijst van de najaarsbestelling 2017/2018 staat vermeld waar de bomen moesten worden geplant. Betrokkene is hier zonder overleg met zijn leidinggevende van afgeweken, waardoor deze gedraging als plichtsverzuim kan worden aangemerkt.

3.4.2.

Met betrekking tot het onrechtmatig snoeien van één boom aan adres 1 voert betrokkene eveneens aan dat een werkinstructie ontbrak. Ook dit betoog slaagt niet. Uit de luchtfoto van adres 1 en omgeving bij het verslag van de leidinggevende van betrokkene blijkt dat de opdracht inhield dat de bomen tussen de weide en het voetpad moesten worden gesnoeid. Dat betwist betrokkene ook niet. Betrokkene is zonder overleg van deze opdracht afgeweken door van een op particulier terrein staande boom aan de andere zijde van het voetpad zonder toestemming van de eigenaar een beeldbepalende tak te snoeien, waardoor ook deze gedraging als plichtsverzuim kan worden aangemerkt. Anders dan in de uitspraak van 12 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:373 is van een onduidelijke werkinstructie geen sprake, alleen al omdat niet in geschil is dat de gesnoeide boom aan de andere zijde van het voetpad staat dan de bomen die volgens de opdracht gesnoeid moesten worden.

3.5.

Het college stelt dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, het in afwijking van de werkinstructie en zonder toestemming van de eigenaresse afzagen van één boom en één struik aan adres 2 als plichtsverzuim kan worden aangemerkt. Dit betoog slaagt. Weliswaar heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de werkinstructie niet eenduidig was, omdat op het inrichtingsplan voor het plein bij adres 2 niet alle bomen waren ingetekend die er daadwerkelijk groeiden. Maar betrokkene had kunnen en moeten beseffen dat de instructie om de groenstrook op het plein geheel leeg te halen, niet ook betekende dat één boom en één struik die deels op particuliere grond stonden – omdat die door de erfafscheiding met adres 2 waren gegroeid – zonder toestemming van de eigenaresse ook moesten worden gekapt. De professionele inschatting van betrokkene dat het inrichtingsplan niet kon worden uitgevoerd als die boom en struik zouden blijven staan, kan wellicht juist zijn. Maar betrokkene had hier overleg met zijn leidinggevende moeten voeren voordat hij een niet terug te draaien handeling uitvoerde als het kappen van een boom en een struik die deels op andermans grond staan en waarvoor de eigenaresse geen toestemming had verleend.

3.6.

In wat betrokkene heeft aangevoerd dat hij het met de beste bedoelingen heeft gedaan, in het belang van het groen, bestaat geen grond voor het oordeel dat het plichtsverzuim betrokkene niet kan worden toegerekend. Het college was dan ook bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf.


Overplaatsing met vermindering van salaris

3.7.

De disciplinaire straf van overplaatsing voor onbepaalde tijd is, gezien de aard en ernst van de gedragingen en de door het college terecht gestelde eisen van betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid aan ambtenaren, niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Betrokkene heeft door zijn gedrag het in hem te stellen vertrouwen geschonden en aldus aan het eigen aanzien en aan dat van de gemeente Hellendoorn schade toegebracht. Ook had betrokkene als [naam functie 1] en gelet op zijn lange dienstverband een voorbeeldfunctie. De disciplinaire straf van vermindering van de bezoldiging van betrokkene met één salarisschaal acht de Raad in combinatie met de overplaatsing evenwel onevenredig. Hierbij is van belang dat betrokkene ruim 30 jaar [naam functie 1] is geweest en weliswaar eerder is gewaarschuwd, maar daarbij niet erop is gewezen dat bij herhaling disciplinaire straffen het gevolg kunnen zijn. Ook heeft betrokkene vóór het aanzeggen van een disciplinaire straf verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen door aan te bieden de schade te vergoeden en is van belang dat betrokkene geen voordeel van zijn handelen heeft ondervonden.

Conclusie

3.8.

Uit 3.1 tot en met 3.7 volgt dat het hoger beroep van het college slaagt, voor zover dit betrekking heeft op het plichtsverzuim, en het hoger beroep van betrokkene niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, met verbetering van de gronden.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.C.F. Talman en

E.J. Otten als leden, in tegenwoordigheid van M. Stumpel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2021.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) M. Stumpel