Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:109

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2021
Datum publicatie
26-01-2021
Zaaknummer
19/1525 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering van anderszins onverschuldigd betaalde bijstand.

Het college mocht op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder e, van de PW de bijstand terugvorderen die door een administratieve fout was uitbetaald nadat de bijstand was ingetrokken, omdat appellant niet langer in Alkmaar woonde. Appellant had redelijkerwijs kunnen begrijpen dat de bijstand van Alkmaar onverschuldigd was betaald. Geen sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1525 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 19 januari 2021

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 14 maart 2019, 18/2723 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Reith, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Reith. Het college heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door T.M.M. Peeperkorn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) in de gemeente Alkmaar.

1.2.

Appellant heeft het college op 20 november 2017 telefonisch op de hoogte gesteld van zijn verhuizing per 1 december 2017 naar adres X in [plaatsnaam], waar hij per 1 december 2017 een kamer huurt. Appellant staat per 2 december 2017 ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) op dat adres in [plaatsnaam]. Appellant heeft verder in [plaatsnaam] een aanvraag om bijstand gedaan.

1.3.

Bij besluit van 7 december 2017 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 december 2017 beëindigd (lees: ingetrokken) omdat hij per die datum is verhuisd naar [plaatsnaam]. Hiertegen heeft appellant geen bezwaar gemaakt. Het college heeft de bijstand evenwel tot en met 28 februari 2018 aan appellant betaald.

1.4.

Bij besluit van 14 maart 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 juni 2018 (bestreden besluit), heeft het college de over de periode 1 december 2017 tot en met

28 februari 2018 betaalde bijstand ter hoogte van € 1.835,06 teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de per abuis aan appellant doorbetaalde bijstand met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder e, van de PW wordt teruggevorderd omdat appellant redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de bijstand onverschuldigd is betaald. Van een dringende reden om van terugvordering af te zien is niet gebleken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder e, van de PW kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald en de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen. Deze bepaling is geschreven voor de gevallen waarin de bijstandverlenende instantie een administratieve vergissing heeft begaan bij de uitbetaling van de bijstand. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 21 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:595).

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat het hem niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij onverschuldigd bijstand ontving van de gemeente Alkmaar. Hij kon niet bij zijn post op adres X in [plaatsnaam] omdat hij geen toegang had tot zijn gehuurde kamer en wist daarom niet dat zijn aanvraag om bijstand in [plaatsnaam] was afgewezen en dat hij nog van de gemeente Alkmaar bijstand ontving. Het overlijden van zijn moeder in januari 2018, zijn dakloosheid en zijn lage IQ maakten dat hij niet kon bekijken welke instantie zijn bijstand feitelijk betaalde.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.3.

Appellant had redelijkerwijs kunnen begrijpen dat de bijstand van de gemeente Alkmaar onverschuldigd was betaald. Hierbij is van belang dat appellant het college op 20 november 2017 telefonisch heeft gemeld te gaan verhuizen naar [plaatsnaam], dat appellant per

2 december 2017 is ingeschreven in de BRP in [plaatsnaam] en dat hij een aanvraag om bijstand heeft ingediend in [plaatsnaam]. Hieruit volgt dat appellant wist dat hij geen recht meer had op bijstand in de gemeente Alkmaar. Dat appellant het besluit van 7 december 2017 en de afwijzing van de aanvraag om bijstand in [plaatsnaam] niet heeft gelezen omdat hij niet op adres X in [plaatsnaam] is gaan wonen, waarnaar deze besluiten zijn gezonden, maakt dat niet anders. De situatie rondom het overlijden van zijn moeder in januari 2018, zijn dakloosheid en zijn lage IQ leiden onder de hiervoor weergegeven omstandigheden evenmin tot het oordeel dat het appellant niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij onverschuldigd bijstand ontving van de gemeente Alkmaar. Het standpunt van appellant dat hij meende dat hij van de gemeente [plaatsnaam] bijstand ontving is overigens niet te verenigen met de verklaring van appellant dat hij na 1 december 2017 voornamelijk in Alkmaar dan wel in [gemeente] verbleef.

4.4.

Appellant heeft verder aangevoerd dat het college op grond van dringende redenen had moeten afzien van terugvordering. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.5.

Dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW doen zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. In die gevallen zal een individuele afweging van alle relevante omstandigheden moeten plaatsvinden. Degene die zich beroept op dringende redenen, moet die redenen aannemelijk maken. Appellant heeft met de in 4.2 weergegeven omstandigheden niet aannemelijk gemaakt dat zich in zijn geval dringende redenen voordoen als hiervoor bedoeld.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. van Paridon, in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2021.

(getekend) M. van Paridon

(getekend) A.A.H. Ibrahim