Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1086

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
19/4657 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Verblijf langer dan vier weken buiten Nederland. Geen dringende redenen. Intrekking en terugvordering van bijstand over de periode X, waarin appellante langer dan vier weken buiten Nederland heeft verbleven. Er is geen sprake van dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een acute noodsituatie, waarin de behoeftige omstandigheden waarin zij verkeert op geen enkele andere manier zijn te verhelpen. De aard en de noodzaak van het verblijf in het buitenland in de periode voorafgaand aan periode X zijn niet van betekenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4657 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

11 oktober 2019, 19/1675 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Uitspraak: 11 mei 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Shaaban, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt vanaf 22 februari 2016 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande. Zij heeft in Servië verbleven van 8 februari 2017 tot en met 11 februari 2017 (4 dagen), van 9 mei 2017 tot en met 16 mei 2017 (8 dagen), van 20 juni 2017 tot en met 6 juli 2017 (17 dagen) en van 18 augustus 2017 tot en met 31 augustus 2017 (14 dagen).

1.2.

Bij afzonderlijke besluiten van 19 februari 2019 na bezwaar gehandhaafd – voor zover hier van belang – bij besluit van 15 maart 2019 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante herzien (lees: ingetrokken) over 6 juli 2017 en van 18 augustus 2017 tot en met 31 augustus 2017. De over die dag en die periode gemaakte kosten van bijstand heeft het college tot een bedrag van € 490,11 van appellante teruggevorderd. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellante langer dan vier weken buiten Nederland had verbleven. Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d (lees: e), van de PW was zij daarom over die dag en die periode uitgesloten van het recht op bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft als volgt overwogen. Niet in geschil is dat appellante van 1 januari 2017 tot en met 5 juli 2017 in totaal 13 dagen in Servië heeft verbleven. Verder is niet in geschil dat zij van 6 juli 2017 tot en met 31 augustus 2017 nog eens 15 dagen in Servië heeft verbleven en daarmee de maximaal toegestane periode van vier weken buiten Nederland heeft overschreden. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW is geen sprake. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 23 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3257) doen deze redenen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere manier zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan de hier genoemde voorwaarden is voldaan. Het, volgens haar noodzakelijke, verblijf in Servië in februari en mei 2017 had voor haar aanleiding moeten zijn om, gelet op de maximumperiode van vier weken, haar verblijf in het buitenland daarna te bekorten. Zij heeft haar stelling dat zij van 6 juli 2017 tot en met 31 augustus 2017 genoodzaakt was in Servië te verblijven vanwege problemen met haar ex-echtgenoot dan wel om een medische behandeling te ondergaan, niet onderbouwd. Bovendien is niet gebleken dat appellante toen in behoeftige omstandigheden verkeerde die enkel door middel van bijstandsverlening te verhelpen waren.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft, zoals ook in beroep, aangevoerd dat zich een situatie als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW voordeed. Zij heeft een oogaandoening waarvoor zij zich in februari 2017 en in mei 2017 in Belgrado heeft laten behandelen. Deze behandeling was noodzakelijk om blindheid te voorkomen en kon haar in Nederland niet op korte termijn worden geboden. Het college had daarom haar verblijf in Servië in februari en in mei 2017 niet moeten meetellen bij de berekening van de periode van vier weken waarin zij met behoud van bijstand in het buitenland mocht verblijven. Verder maakte het gedrag van haar ex-man dat zij aanleiding zag veelvuldig haar toevlucht te zoeken bij familie in het buitenland.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geding is of het college op grond van artikel 16, eerste lid, van de PW aan appellante wegens zeer dringende redenen bijstand had moeten verlenen over 6 juli 2017 en van 18 augustus 2017 tot en met 31 augustus 2017.

4.2.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in de kern een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust.

4.3.

De Raad voegt hieraan nog het volgende toe. Een acute noodsituatie kan op grond van artikel 16, eerste lid, van de PW leiden tot bijstandverlening aan een persoon, zoals appellante, die daar op grond van paragraaf 2.2 van de PW geen recht op heeft. Maar appellante had dat recht wel in de periode waarin zij nog niet langer dan vier weken in het buitenland had verbleven. De aard en de noodzaak van het verblijf in het buitenland in die periode zijn dus niet van betekenis. Het college heeft dan ook terecht de medische behandelingen die appellante heeft ondergaan in de periode voorafgaand aan 6 juli 2017 niet bij de beoordeling betrokken.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2021.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) R.B.E. van Nimwegen