Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1080

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
18/2715 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:2554, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boete. Verminderde verwijtbaarheid. College heeft in hoger beroep beslagvrije voet alsnog vastgesteld op 95% van de toepasselijke norm. Appellante heeft geen melding gemaakt van de inkomsten uit het aan haar verleend PGB in verband met de verzorging van haar zoon. Zij had redelijkerwijs kunnen weten dat de inkomsten van belang waren voor de bijstand. Er kan haar van de schending van de inlichtingenverplichting een verwijt worden gemaakt. College is uitgegaan van verminderde verwijtbaarheid en heeft in hoger beroep de boete verlaagd in verband met de uitspraak van de Raad van 4 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1525. De Raad stelt boete vast op dit bedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2715 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 april 2018, 17/6143 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 11 mei 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.J. de Bruin, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Bruin. Het college is, met bericht, niet verschenen.

Het onderzoek is heropend. Aan partijen zijn vragen gesteld. Bij brief van 4 februari 2021 heeft het college een reactie ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven omdat het college heeft bericht geen gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord en appellante niet binnen de gestelde termijn heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Daarna heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 1 maart 1997 bijstand. Bij besluit van 22 maart 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 juli 2017, heeft het college het recht op bijstand over de periode van 1 maart 2016 tot en met 31 december 2016 herzien en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 11.555,41 van appellante teruggevorderd. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante niet tijdig en uit eigen beweging heeft gemeld dat zij inkomsten heeft ontvangen uit een persoonsgebonden budget (PGB) voor de zorg die zij verleent aan haar zoon, terwijl zij had kunnen weten dat deze inkomsten van invloed waren op haar recht op bijstand. Appellante heeft tegen het besluit van 20 juli 2017 geen beroep ingesteld.

1.2.

Bij besluit van 17 augustus 2017 heeft het college appellante een boete opgelegd van € 420,-. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet tijdig te melden dat er een PGB wordt ontvangen. Het college is daarbij uitgegaan van verminderde verwijtbaarheid en heeft vervolgens overeenkomstig artikel 5, onder d, van de Beleidsregels bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ Rotterdam 2017, de boete afgestemd op de persoonlijke omstandigheden van appellante en bepaald op zes maal 10% van de ten tijde van het opleggen van de boete op appellante van toepassing zijnde bijstandsnorm (kostendelersnorm), naar beneden afgerond op een veelvoud van €10,-. Bij besluit van 11 september 2017 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover van belang, het bezwaar tegen het besluit van
17 augustus 2017 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 18a van de Participatiewet (PW) legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag indien de belanghebbende de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Voor een weergave van de relevante wetgeving en beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12, met dien verstande dat de tekst van artikel 18a van de PW en van de artikelen 2 en 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals deze per 1 januari 2017 luiden, van toepassing is.

4.2.

Vaststaat dat appellante in de periode in geding inkomsten heeft ontvangen uit een PGB voor de zorg die zij verleent aan haar meervoudig gehandicapte zoon. Appellante heeft dit niet door middel van een inkomstenverklaring of wijzigingsformulier bij het college gemeld.

4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden omdat zij niet wist dat zij deze inkomsten moest melden en zij in het kader van aanvragen om bijzondere bijstand bankafschriften heeft overgelegd waaruit het college had kunnen opmaken dat zij inkomsten uit een PGB ontving. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de inkomsten uit het PGB van belang zijn voor het recht op bijstand (vergelijk de uitspraak van 22 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:521). Het overleggen in een andere procedure van bankafschriften waaruit de PGB-inkomsten blijken, betekent niet dat zij uit eigen beweging mededeling heeft gedaan van deze inkomsten.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het college heeft aangetoond dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van haar inkomsten. Appellante heeft geen concrete feiten aangevoerd op grond waarvan kan worden geoordeeld dat iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het college was daarom gehouden met toepassing van artikel 18a van de PW een boete op te leggen. Het college is, gelet op de ongewenste omstandigheden in de thuissituatie die emotioneel ontwrichtend waren en zoals die ter zitting ter sprake zijn gekomen, terecht uitgegaan van verminderde verwijtbaarheid.

4.5.

Naar aanleiding van de uitspraak van 4 augustus 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:1525) heeft het college in hoger beroep een nader standpunt ingenomen, te weten dat in dit geval bij de vaststelling van de hoogte van de boete uitgegaan moet worden van een beslagvrije voet van 95% van de toepasselijke bijstandsnorm. Dit betekent dat, uitgaande van verminderde verwijtbaarheid en rekening houdend met de draagkracht van appellante, de hoogte van de boete moet worden vastgesteld op zes maal 5% van de voor appellante geldende norm (nu
€ 768,17), derhalve op € 230,45. Met toepassing van artikel 8:72a van de Awb zal de Raad de boete op dat bedrag vaststellen, aangezien een boete tot dat bedrag hier passend en geboden is.

4.6.

Gelet op 4.5 slaagt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden vernietigd, voor zover het de hoogte van de boete betreft. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen voor zover het de hoogte van de boete betreft.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.068,- in beroep en € 1.068,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal derhalve € 2.136,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 11 september 2017 voor zover het de hoogte van de boete betreft;

- herroept het besluit van 17 augustus 2017 voor zover het de hoogte van de boete betreft;

- stelt het bedrag van de boete vast op € 230,45 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 11 september 2017;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.136,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 172,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van J.B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) J.B. Beerens