Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1077

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
19/4326 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de Raad niet gebleken dat gesproken kan worden van een onredelijke druk op appellante bij de opbouw van haar re-integratie. Dat de verstandhouding tussen de (eerste) bedrijfsarts en appellante niet optimaal was, maakt dit niet anders, temeer daar een tweede bedrijfsarts is ingeschakeld, met wie appellante naar eigen zeggen wel goed overweg kon. Dat de eerste bedrijfsarts en leidinggevende V zich laatdunkend zouden hebben uitgelaten over appellante en de ernst van haar klachten, als gesteld door appellante, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. In de gedingstukken zijn daarvoor geen objectieve aanwijzingen te vinden.

Evenals de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat het bestuur, gelet op alle omstandigheden in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het verlenen van ontslag aan appellante per 1 mei 2017 op grond van artikel 8:4 van de CAR/UWO, gebruik heeft kunnen maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4326 AW

Datum uitspraak: 6 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 10 september 2019, 18/2455 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van de GGD Zaanstreek-Waterland (bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W.C van Kleef, hoger beroep ingesteld.

Namens het bestuur heeft mr. B.M. Dijkstra, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Kleef. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Dijkstra en E.J. Volkers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die vóór 1 januari 2020 bekend zijn gemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep.

1.2.

Voor een uitgebreid overzicht van de feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Hier wordt volstaan met het volgende.

1.3.

Appellante was sinds augustus 2010 werkzaam als [naam functie] bij de GGD Zaanstreek-Westerland, voor 30 uur per week. Op 31 maart 2014 is zij uitgevallen voor haar werk met psychische (burn-out) klachten. In juni 2014 is appellante gestart met re-integratie in aangepast werk voor drie uur per dag. De bedrijfsarts adviseerde daarbij een tijd-contingente opbouw in uren. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) vond in het deskundigenoordeel van 8 juli 2014 de urenopbouw in het aangeboden werk niet passend, maar achtte appellante wel belastbaar voor drie uur per dag in aangepast werk. De bedrijfsarts heeft daarop zijn advies aangepast. Nadat de bedrijfsarts op 9 september 2014 adviseerde tot hervatting in het eigen werk per 1 oktober 2014 voor vier halve dagen per week, heeft appellante zich weer volledig arbeidsongeschikt gemeld. In december 2014 is appellante - onder protest - akkoord gegaan met hervatting in passende werkzaamheden voor vier uur per dag, met een tijd-contingente opbouw in uren. In het voorjaar van 2015 is in opdracht van het bestuur een arbeidskundig onderzoek verricht naar de geschiktheid van appellante voor het eigen werk en naar de mogelijkheden voor duurzame re-integratie in het eerste en tweede spoor. Op grond van de bevindingen uit dit onderzoek, is geadviseerd om naast het re-integreren in het eigen werk in te zetten op het tweede spoor. Voor de begeleiding heeft het bestuur vervolgens een extern re-integratiebureau, Brand New Job, ingeschakeld. Appellante heeft het plan van aanpak - onder protest - ondertekend. Per 16 november 2015 is appellante gestart in een tijdelijke baan als [naam functie] via [naam B.V.] voor 20 uur per week. Op 8 december 2015 heeft de bedrijfsarts een actueel oordeel gegeven in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). In januari 2016 rapporteert de (nieuwe) bedrijfsarts dat appellante op dat moment duurzaam inzetbaar is voor 20 uur per week, met de verwachting dat een opbouw naar 30 uur mogelijk is. Daarbij wordt opgemerkt dat duurzame inzetbaarheid bij de eigen werkgever bemoeilijkt wordt door de arbeidsverhoudingen en gebeurtenissen uit het verleden. De bedrijfsarts adviseert daarom mediation in te zetten.

1.4.

Op 19 januari 2016 heeft appellante bij het Uwv een aanvraag ingediend om een uitkering op grond van de Wet WIA. Bij besluit van 3 februari 2016 heeft het Uwv op grond van artikel 25, tiende lid, aanhef en onder b van de Wet WIA, aan het bestuur de verplichting tot loondoorbetaling (loonsanctie) opgelegd tot 27 maart 2017, omdat het bestuur onvoldoende heeft gedaan om appellante te re-integreren.

1.5.

Op 13 april 2016 is met appellante afgesproken zaken uit het verleden te laten rusten. Appellante heeft meegedeeld dat zij een goed gevoel heeft bij de nieuwe bedrijfsarts en afgesproken is dat mediation verder niet nodig is.

1.6.

In juli 2016 heeft de bedrijfsarts geadviseerd om een medische expertise te laten verrichten bij Ergatis, om meer inzicht te krijgen in de redenen van de nog steeds stagnerende re-integratie. Op 25 augustus 2016 is appellante weer volledig uitgevallen, ook voor haar werk via Maandag. Op 22 december 2016 heeft Ergatis gerapporteerd dat er arbeidsmogelijkheden zijn, maar dat die pas kunnen worden benut als de herstelbelemmerende factoren worden weggenomen. De bedrijfsarts heeft de rapportage op 24 januari 2017 besproken met appellante en een mediationtraject geadviseerd. Appellante heeft daarop meegedeeld alleen onder voorwaarden bereid te zijn mee te werken aan mediation.

1.7.

Bij besluit van 21 maart 2017 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 27 maart 2017 een WGA-uitkering toegekend op grond van de Wet WIA, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Appellante wordt ongeschikt geacht voor haar eigen werk. De verzekeringsarts constateert nog forse restbeperkingen en een urenbeperking maar verwacht dat de medische situatie op de lange termijn wel kan verbeteren. Naar aanleiding van het WIA-besluit van het Uwv is appellante op 28 maart 2017 bericht dat het bestuur het mediationtraject wil uitstellen om te onderzoeken welke consequenties dit besluit heeft voor de vervolgstappen.

1.8.

Dan volgt op 10 april 2017 het besluit waarbij het bestuur aan appellante op grond van artikel 8:4 van de CAR-UWO, met ingang van 1 mei 2017 eervol ontslag heeft verleend wegens volledige arbeidsongeschiktheid voor de vervulling van haar functie wegens ziekte. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 24 april 2018 (bestreden besluit) heeft het bestuur, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie voor bezwaarschriften, het bezwaar ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding en vergoeding van kosten op grond van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft vooropgesteld dat niet in geschil is dat appellante op de ontslagdatum van 1 mei 2017 36 maanden (24 maanden verlengd met de duur van het door het Uwv bepaalde tijdvak van 12 maanden waarover appellante recht had op loondoorbetaling) volledig ongeschikt was voor het vervullen van haar eigen functie en dat aan haar een WGA-uitkering is toegekend voor 80% of meer. Voorts blijkt dat het bestuur bij de besluitvorming het resultaat van de WIA-claimbeoordeling in aanmerking heeft genomen. Aan de ontslagvereisten van de CAR/UWO is daarmee voldaan. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat het geschil tussen partijen zich toespitst op de vraag of het bestuur voldoende inspanningen heeft verricht om appellante te re-integreren of te herplaatsen in passende arbeid en in dit geval in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid ontslag te verlenen. De rechtbank is van oordeel dat de door appellante naar voren gebrachte omstandigheden niet als zodanig zijn te bestempelen dat het bestuur niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot ontslagverlening gebruik heeft kunnen maken. Weliswaar vertoonde het herplaatsingsonderzoek in het eerste en tweede ziektejaar tekortkomingen. Dat volgt uit het deskundigenoordeel uit juli 2014 en de uitkomst van de beoordeling door het Uwv van de re-integratie-inspanningen, wat heeft geleid tot het opleggen van een loonsanctie. Echter, ook is gebleken dat de bedrijfsarts en het bestuur de oordelen en adviezen van het Uwv niet naast zich hebben neergelegd, maar direct hebben opgepakt. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat het bestuur niet op een voldoende wijze uitvoering heeft gegeven aan zijn verplichtingen in het kader van de re-integratie en heeft geprobeerd tekortkomingen te herstellen. Per 1 januari 2016 was namelijk een andere bedrijfsarts ingeschakeld, met wie appellante wel een beter contact had, en in de loop van het derde ziektejaar is de begeleiding in het tweede spoor voortgezet via Brand New Job. Ook heeft het bestuur op instigatie van de bedrijfsarts een onderzoek laten uitvoeren door Ergatis. Voor het oordeel dat appellante onder een ontoelaatbare druk zou zijn gezet, zoals appellante heeft aangevoerd, ziet de rechtbank op basis van de stukken geen enkele aanleiding. Het bestuur heeft namelijk uitvoering gegeven aan zijn wettelijke verplichtingen. Bovendien volgt niet uit de stukken dat het stagneren van de re-integratie eenzijdig aan het bestuur is te wijten. Het niet van de grond komen van de re-integratie van appellante berustte ook op medische gronden en op de opstelling van appellante. De rechtbank is verder van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat ten tijde van het ontslagbesluit sprake was van een duidelijk zicht op volledig herstel van appellante. Ook gelet op de opstelling van appellante ten aanzien van een nog in te zetten mediationtraject, lag het niet in de lijn der verwachtingen dat dit op korte termijn anders zou zijn. Nu niet is gebleken van een onrechtmatig besluit, ziet de rechtbank geen grond voor een schadevergoeding en wijst het verzoek van appellante om schadevergoeding af.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vastgesteld wordt dat in hoger beroep, evenals in beroep, het geschil tussen partijen uitsluitend ziet op de vraag of het bestuur, gegeven de omstandigheden in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het verlenen van ontslag gebruik heeft kunnen maken. Wat appellante in hoger beroep daartoe heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van de gronden die zij eerder in beroep (en bezwaar) naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak in afdoende mate aan de orde gesteld en gemotiveerd verworpen. De Raad stelt zich volledig achter het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen en voegt daaraan nog het volgende toe.

4.2.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de Raad niet gebleken dat gesproken kan worden van een onredelijke druk op appellante bij de opbouw van haar re-integratie. Dat de verstandhouding tussen de (eerste) bedrijfsarts en appellante niet optimaal was, maakt dit niet anders, temeer daar een tweede bedrijfsarts is ingeschakeld, met wie appellante naar eigen zeggen wel goed overweg kon. Dat de eerste bedrijfsarts en leidinggevende V zich laatdunkend zouden hebben uitgelaten over appellante en de ernst van haar klachten, als gesteld door appellante, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. In de gedingstukken zijn daarvoor geen objectieve aanwijzingen te vinden.

4.3.

Evenals de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat het bestuur, gelet op alle omstandigheden in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het verlenen van ontslag aan appellante per 1 mei 2017 op grond van artikel 8:4 van de CAR/UWO, gebruik heeft kunnen maken.

4.4.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Daarom zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd. Hieruit volgt tevens dat het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.C.F. Talman en

E.J. Otten als leden, in tegenwoordigheid van M. Stumpel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2021.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) M. Stumpel