Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1073

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
18/2765 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft zich bij het college gemeld met een behoefte aan een bijdrage in de kosten voor extra verwarming van zijn woning en voor dieetkosten. Hiermee vraagt appellant het college compensatie van door hem te maken bestaanskosten. Appellant heeft het college aldus niet verzocht om hem een maatwerkvoorziening als bedoeld in de Wmo 2015 te verstrekken ter compensatie van ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie. Gesteld noch gebleken is dat appellant problemen ondervindt bij deelname aan het maatschappelijk verkeer, het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen, dan wel het voeren van een gestructureerd huishouden. Het college heeft daarom de aanvraag terecht op grond van artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 afgewezen. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2021/113
USZ 2021/207
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2765 WMO15

Datum uitspraak: 6 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 mei 2018, 17/7439 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2021. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving bijzondere bijstand voor dieet-, woon- en verwarmingskosten, laatstelijk tot € 214,- per maand op grond van de Participatiewet (PW). Bij besluit van 29 juli 2016 is de bijzondere bijstand met ingang van 1 april 2017 afgebouwd met 50% per jaar en met ingang van 1 april 2018 beëindigd. Bij besluit van 31 oktober 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 maart 2018, heeft het college het verzoek van appellant om hem weer bijzondere bijstand op grond van de PW te verlenen afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft bij uitspraak van 24 september 2018 het beroep van appellant tegen laatstgenoemd besluit ongegrond verklaard en de Raad heeft die uitspraak bevestigd met de uitspraak van

1 september 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:2055).

1.2.

Bij brief van 15 juni 2017 heeft appellant het college verzocht om dieetkosten en de

kosten voor het verwarmen van zijn woning te compenseren op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).

1.3.

Bij besluit van 27 juni 2017, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 23 september 2017

(bestreden besluit), heeft het college dit verzoek afgewezen. Daaraan is samengevat ten grondslag gelegd dat compensatie van deze kosten niet op grond van de Wmo 2015 kan plaatsvinden, omdat de Wmo 2015 is bedoeld om personen met een beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke handicap te ondersteunen. Daartoe behoort niet inkomensondersteuning voor de door appellant gestelde kosten. Er wordt niet toegekomen aan de vraag of een maatwerkvoorziening in natura of door middel van een persoonsgebonden budget (pgb) moet worden verstrekt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe, voor zover van belang, overwogen dat het college naar aanleiding van het verzoek van 15 juni 2017 contact heeft opgenomen met appellant en dat appellant expliciet heeft aangegeven een voorziening op grond van de Wmo 2015 te beogen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het college op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk is voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen. De Wmo 2015 is naar zijn aard geen inkomensvoorziening en is (uitsluitend) gericht op het compenseren van de beperkingen die men ondervindt in het dagelijks leven als gevolg van bijvoorbeeld een handicap of een (chronisch) psychisch probleem. De door appellant gevraagde voorziening kan volgens de rechtbank niet op grond van de Wmo 2015 worden verstrekt omdat die niet ziet op het compenseren van medische beperkingen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft (samengevat) betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Wmo 2015 geen inkomensvoorziening is. Immers, op grond van de beleidsregels van de gemeente Wassenaar ter uitvoering van de Wmo 2015 kan bijvoorbeeld geld uitbetaald worden en een pgb worden verstrekt. Appellant heeft de Raad verzocht om het college er toe te verplichten de betaling van € 214,- per maand te herstellen vanaf 1 april 2017.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 definieert maatschappelijke ondersteuning als, voor zover van belang, ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving.

4.1.2.

Artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 definieert een maatwerkvoorziening als op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:

1. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen,

2. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,

3. ten behoeve van beschermd wonen en opvang.

4.1.3.

Artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 definieert participatie als deelnemen aan het maatschappelijke verkeer. Zelfredzaamheid is gedefinieerd als het in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.

4.1.4.

Artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 bepaalt, dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

4.2.

Appellant heeft zich bij het college gemeld met een behoefte aan een bijdrage in de kosten voor extra verwarming van zijn woning en voor dieetkosten. Hiermee vraagt appellant het college compensatie van door hem te maken bestaanskosten. Appellant heeft het college aldus niet verzocht om hem een maatwerkvoorziening als bedoeld in de Wmo 2015 te verstrekken ter compensatie van ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie. Gesteld noch gebleken is dat appellant problemen ondervindt bij deelname aan het maatschappelijk verkeer, het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen, dan wel het voeren van een gestructureerd huishouden. Het college heeft daarom de aanvraag terecht op grond van artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 afgewezen.

4.3.

Uit 4.1.1 tot en met 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en H. Benek en E.J. Otten als leden, in tegenwoordigheid van D. Al-Zubaidi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2021.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) D.Al-Zubaidi