Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1072

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
19/5423 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Judiciële lus. In het bestreden besluit heeft de staatssecretaris het bezwaar tegen het besluit van 31 maart 2016 andermaal ongegrond verklaard. Appellante heeft zich tegen het bestreden besluit gekeerd. Met de door de staatssecretaris uiteindelijk gegeven toelichting heeft de staatssecretaris voldoende gemotiveerd dat de omvang en zwaarte van de werkzaamheden van appellante en collega 1 niet gelijk zijn en dat in zoverre geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Met het rapport Functievergelijking van 23 september 2016 heeft de staatssecretaris voldoende gemotiveerd dat wat betreft de inschaling in salarisschaal 11 van collega’s 2 en 3 evenmin sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Wat betreft collega’s 4 en 5 voert appellante aan dat de motivering waarom zij zijn ingeschaald in salarisschaal 11 niet juist is. Voor zover de persoonlijke werkomstandigheden bij deze collega’s een rol hebben gespeeld bij de inschaling, moet dat ook voor appellante gelden. Dit betoog slaagt niet, omdat de werkomstandigheden van appellante anders waren. Dit betekent dat geen sprake is van gelijke gevallen en het beroep op het gelijkheidsbeginsel in de hier gegeven omstandigheden niet slaagt. Tot slot betoogt appellante dat de staatssecretaris het verzoek om een dwangsom ten onrechte heeft afgewezen op de grond dat sprake is van een onredelijk late ingebrekestelling. Dit betoog slaagt niet. Het beroep slaagt niet. Het beroep tegen het bestreden besluit moet ongegrond worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/343
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 5423 AW

Datum uitspraak: 6 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het beroep tegen het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van
2 december 2019

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 29 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3831, heeft de Raad de uitspraak van de Rotterdam vernietigd, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 april 2017 vernietigd en de staatssecretaris opdracht gegeven een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het door de staatssecretaris nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Bij besluit van 2 december 2019 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellante tegen het besluit van 31 maart 2016 ongegrond verklaard.

Namens appellante heeft mr. J. Choufoer-van der Wel beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 19/5279 AW plaatsgevonden op

25 maart 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door opvolgend gemachtigde

mr. J.P.L.C. Dijkgraaf. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Kuiper, drs. G.C. Broersen en R.C.T. David.

Na het onderzoek ter zitting zijn de zaken weer gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die vóór 1 januari 2020 bekend zijn gemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep.

1.2.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 29 november 2018. Hij volstaat nu met het volgende.

1.3.

Appellante is werkzaam in de functie van [naam functie] bij de Belastingdienst, eenheid [eenheid] . Naar aanleiding van een verzoek om functieweging heeft de staatssecretaris bij besluit van 31 maart 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 april 2017, de functie van appellante gehandhaafd in salarisschaal 10.

1.4.

Uit de in 1.2 genoemde uitspraak volgt dat de hoogte van de scores van de functieweging, zoals vastgelegd in het rapport van 14 december 2015 en gevolgd door de commissie van Advies en Bezwaren Functiewaardering (CABF) in het advies van 20 november 2016 tussen partijen niet in geding is. Verder heeft de Raad geoordeeld dat het functiebeeld [naam functie] dat aan het indelingsrapport en het advies van de CABF ten grondslag ligt en het functiebeeld zoals door appellante bij haar aanvraag functieweging is gevoegd, op hoofdlijnen vrijwel volledig overeenkomen. Er is slechts sprake van marginale verschillen die niet van dien aard zijn dat daaruit geconcludeerd moet worden dat sprake is van een ander takenpakket dan wel een andere functie-inhoud.

1.5.

Met betrekking tot het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel heeft de Raad vastgesteld dat de staatssecretaris in de loop van de procedure wisselende standpunten heeft ingenomen en deze standpunten niet heeft onderbouwd met zo nodig geanonimiseerde nadere besluiten, functiebeschrijvingen en functiewaarderingsrapporten. Hieruit volgt dat de staatssecretaris met het besluit van 4 april 2017 onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom appellante niet, net als de door haar genoemde collega’s, in aanmerking komt voor schaal 11. Daarom slaagt het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel.

2.1.

In het bestreden besluit heeft de staatssecretaris het bezwaar tegen het besluit van

31 maart 2016 andermaal ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich tegen het bestreden besluit gekeerd. Zij wijst erop dat de staatssecretaris steeds wisselende standpunten aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. Voorts handhaaft zij haar stelling dat weldegelijk sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel en verwijst hierbij gemotiveerd naar collega’s 1 ([collega 1]), 2 ([collega 2]), 3 ([collega 3]), 4 ([collega 4]) en 5 ([collega 5]).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het betoog van appellante dat de staatssecretaris gedurende de procedure wisselende argumenten heeft ingenomen ter onderbouwing van zijn standpunt dat ten aanzien van appellante geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, kan op zichzelf beschouwd niet tot een geslaagd beroep van appellante leiden. Met de door de staatssecretaris uiteindelijk gegeven toelichting heeft de staatssecretaris voldoende gemotiveerd dat de omvang en zwaarte van de werkzaamheden van appellante en collega 1 niet gelijk zijn en dat in zoverre geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.

4.2.

Met het rapport Functievergelijking van 23 september 2016 heeft de staatssecretaris voldoende gemotiveerd dat wat betreft de inschaling in salarisschaal 11 van collega’s 2 en 3 evenmin sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Uit dit rapport blijkt dat de werkzaamheden van collega’s 2 en 3 op onderdelen hoger scoren dan de functie van appellante.

4.3.

Wat betreft collega’s 4 en 5 voert appellante aan dat de motivering waarom zij zijn ingeschaald in salarisschaal 11 niet juist is. Voor zover de persoonlijke werkomstandigheden bij deze collega’s een rol hebben gespeeld bij de inschaling, moet dat ook voor appellante gelden. Dit betoog slaagt niet, omdat de werkomstandigheden van appellante anders waren. Dit betekent dat geen sprake is van gelijke gevallen en het beroep op het gelijkheidsbeginsel in de hier gegeven omstandigheden niet slaagt.

4.4.

Tot slot betoogt appellante dat de staatssecretaris het verzoek om een dwangsom ten onrechte heeft afgewezen op de grond dat sprake is van een onredelijk late ingebrekestelling. Dit betoog slaagt niet. Ingevolge artikel 4:17, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is geen dwangsom verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. Vaststaat dat de beslistermijn in januari 2019 is verlopen en dat appellante de staatssecretaris bij brief van 4 september 2019 in gebreke heeft gesteld. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 28 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2642, oordeelt de Raad dat dit onredelijk laat is. Dat appellante bij brief van 1 mei 2019 heeft geïnformeerd naar de stand van zaken, leidt niet tot een ander oordeel. Daargelaten dat op 1 mei 2019 de beslistermijn eveneens reeds geruime tijd was overschreden, heeft de staatssecretaris niet op deze brief gereageerd. Appellante heeft, anders dan de ingebrekestelling van 4 september 2019, hierop evenmin actie ondernomen.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het beroep niet slaagt. Het beroep tegen het bestreden besluit moet ongegrond worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van M.E. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2021.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) M.E. van Donk