Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1070

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
19/2181 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:2681, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag. Niet meewerken aan huisbezoek. Geen zwaarwegend belang. Verwijtbaarheid aan niet meewerken. Appellant was niet op het afgesproken tijdstip bij zijn woning voor een huisbezoek. Er is geen aanleiding om niet uit te gaan van het opgemaakte rapport met de afspraken die daarover van te voren zijn gemaakt. Appellant had geen zwaarwegend belang om niet mee te werken. Het niet meewerken is hem te verwijten. Aanvraag terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2181 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

5 april 2019, 18/5057 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 4 mei 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft op verzoek van de Raad een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2021. Namens appellant is verschenen mr. Van Zundert. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 15 december 2017 een aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet (PW) ingediend. Als woonadres heeft hij adres Z opgegeven, op welk adres hij sinds 15 december 2017 in de basisregistratie personen staat ingeschreven.

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag hebben twee medewerkers van de gemeente Rotterdam op 20 februari 2018 een gesprek met appellant gevoerd. De medewerkers hebben tijdens het gesprek kenbaar gemaakt dat zij aansluitend aan het gesprek een huisbezoek wilden afleggen. In het rapport ‘Aanvraag bijstand voor levensonderhoud’ van 21 februari 2018 (rapport) is daarover het volgende opgenomen:

“Aan belh. is aan het einde van het gesprek verteld dat wij op huisbezoek zullen komen aansluitend aan einde gesprek. Het gesprek is om 11.00 uur beëindigd. Belh. vertelt dat hij een afspraak heeft in het ziekenhuis. Aan belh. wordt gevraagd om een afsprakenkaart. Belh. vertelt dat hij geen afspraak heeft, maar gaat bloedprikken. Aan belh. vertelt dat hij na het huisbezoek kan gaan bloedprikken en nu naar huis dient te gaan zodat wij het huisbezoek kunnen afleggen. Belh. vertelt wel even fruit te gaan halen bij de markt. Weer aan belh. duidelijk gemaakt dat wij tussen half 12 en kwart voor 12 bij zijn woning zullen zijn. Wij hebben belh. gevraagd hoe hij naar huis zou gaan en hoe lang hij er over zou doen. Hij verklaarde met tram 4 vanaf Hofplein naar huis te gaan en dat hij er een half uur a drie kwartier over doet en dat hij goed begreep dat we tussen 11.30 en 11.45 bij zijn woning zouden zijn.”

In het rapport is verder vermeld dat de medewerkers op 20 februari 2018 om 11.30 en omstreeks 12.00 uur tevergeefs bij de woning van appellant hebben aangebeld en dat de medewerkers telefonisch geen contact konden krijgen met appellant.

1.3.

Bij twee afzonderlijke besluiten van 21 februari 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 augustus 2018 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen en de verstrekte voorschotten tot een bedrag van in totaal € 1.791,63 van appellant teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college, kort weergegeven, ten grondslag gelegd dat appellant, door geen medewerking te verlenen aan het op 20 februari 2018 aangekondigde huisbezoek, niet heeft voldaan aan zijn inlichtingen- en medewerkingsverplichting, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft, zoals zijn gemachtigde ter zitting van de Raad nader heeft toegelicht, het volgende aangevoerd. Appellant kan niet worden verweten dat hij niet op tijd thuis was voor het huisbezoek. De onder 1.1 vermelde weergave van het gesprek op kantoor klopt niet. Appellant heeft tijdens het gesprek gezegd dat hij niet binnen een half uur thuis kon zijn. Hij zou pas na 12.00 uur thuis kunnen zijn en ging ervan uit dat daarmee rekening zou worden gehouden. Appellant moest nog naar de markt voor het doen van inkopen, moest ook nog eten en moest lopend de afstand van het kantoor van de afdeling en Werk en Inkomen naar zijn woning overbruggen. Appellant is ziek en slecht ter been. Hij kwam na 12.00 uur thuis en heeft toen lang gewacht op de medewerkers van de gemeente die het huisbezoek zouden afleggen. Appellant heeft wel degelijk gebeld via het telefoonnummer 14 010 om met de behandelaars van de aanvraag contact op te nemen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat ten tijde in geding een redelijke grond aanwezig was voor het afleggen van een huisbezoek aan het door appellant opgegeven woonadres. Verder staat vast dat appellant niet thuis was op de tijdstippen waarop de medewerkers op 20 februari 2018 hebben aangebeld bij de woning op adres Z. Zoals besproken ter zitting van de Raad is in hoger beroep uitsluitend in geschil of appellant kan worden verweten dat hij niet heeft meegewerkt aan het huisbezoek.

4.2.

De Raad ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van het onder 1.1 geciteerde gedeelte van het rapport. Appellant heeft daartoe geen concrete aanknopingspunten aangedragen. De enkele stelling dat appellant op 20 februari 2018 tegen de medewerkers heeft gezegd dat hij pas na 12.00 uur thuis zou kunnen zijn, is daartoe in ieder geval niet voldoende.

4.3.

In het algemeen komt groot gewicht toe aan het belang van een bijstandverlenende instantie om ‒ zo nodig ‒ onmiddellijk een huisbezoek af te leggen om een door de betrokkene opgegeven woonsituatie te verifiëren. De reden daarvan is dat de mogelijkheid bestaat dat in die woonsituatie voor het huisbezoek een wijziging wordt aangebracht, waardoor dit controlemiddel veel minder effectief is. De bijstandverlenende instantie mag daarom van de betrokkene verlangen dat hij/zij medewerking verleent aan een onmiddellijk af te leggen huisbezoek. Onder bepaalde omstandigheden kan het weigeren van de medewerking de betrokkene echter niet worden tegengeworpen. Dat kan het geval zijn indien de betrokkene een zwaarwegende belang heeft dat de weigering rechtvaardigt of niet in staat is om de medewerking te verlenen door een in de persoon gelegen lichamelijke of psychische oorzaak. Die situaties doen zich hier niet voor. Het enkele feit dat appellant nog naar de markt wilde gaan om inkopen te doen en wilde eten, levert geen zwaarwegend belang op als hiervoor bedoeld. Dat appellant op 20 februari 2018 niet op tijd thuis kon zijn, omdat hij ziek en slecht ter been was, heeft hij pas in bezwaar naar voren gebracht en niet aannemelijk gemaakt. Appellant heeft zijn – door het college gemotiveerd betwiste – stelling dat hij op 20 februari 2018 dan wel de dag erna heeft gebeld naar het telefoonnummer 14 010 evenmin aannemelijk gemaakt.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2021.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) B. Beerens