Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1068

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
19/290 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:9919, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van eerder besluit. Op de zaak betrekking hebbende stukken. Geen strijd met artikel 7:4, tweede lid, van de Awb. Anders dan appellant heeft gesteld heeft het college niet gehandeld in strijd met artikel 7:4, tweede lid, van de Awb door tijdens de bezwaarfase aan de gemachtigde niet alle stukken te geven die betrekking hebben op een andere procedure. Die stukken hebben geen betrekking op de hier aan de orde zijnde zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 290 PW

Datum uitspraak: 26 april 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 december 2018, 18/3171 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Maassluis (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Zundert. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.H. Harent.

Het onderzoek is ter zitting geschorst om het college in de gelegenheid te stellen de stukken in te dienen die het in de bezwaarfase aan de bezwaarschriftencommissie had overgelegd.

Namens appellant is een nadere reactie gegeven.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Zundert. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving met ingang van 29 juni 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Bij besluit van 29 november 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 april 2012, heeft het college de bijstand van appellant ingetrokken met ingang van 29 juni 2009 en de over de periode van 29 juni 2009 tot 1 september 2011 gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 30.676,62.

1.3.

Bij uitspraak van 28 maart 2013 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 april 2012 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:165, heeft de Raad deze uitspraak, voor zover aangevochten, bevestigd.

1.4.

Bij e-mails van 30 december 2016 en 24 april 2017 heeft appellant het college verzocht om terug te komen van het besluit van 29 november 2011 en verzocht om vergoeding van de door hem als gevolg van dit besluit geleden schade. Hierbij heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een nieuw feit, omdat hij bij arrest van 29 april 2014 van het Gerechtshof Den Haag (hof) is vrijgesproken van uitkeringsfraude.

1.5.

Bij besluit van 16 mei 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 mei 2018 (bestreden besluit) heeft het college het verzoek van appellant afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het arrest van het hof geen nieuw feit is in de zin van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat de Raad dit arrest expliciet heeft meegewogen in de onder 1.3 vermelde uitspraak. Het college heeft voor zijn besluitvorming alleen het besluit van 29 november 2011, de uitspraak van de Raad van 26 januari 2015 en het arrest van het hof relevant geacht.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken grond tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals ter zitting van de Raad met partijen is besproken, ligt in hoger beroep alleen nog de vraag voor of het college heeft gehandeld in strijd met artikel 7:4, tweede lid, van de Awb door tijdens de bezwaarfase aan de gemachtigde niet alle stukken te geven die betrekking hebben op de eerdere procedure, die ging over het besluit van 29 november 2011. Appellant wilde aan de hand van die stukken bezien of hij in bezwaar zijn verzoek om herziening kon aanvullen met andere gronden dan het arrest van het hof.

4.2.

In artikel 7:4, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift en verder alle op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbende ter inzage legt.

4.3.

De stukken waarover appellant wil beschikken zijn de stukken die ten grondslag liggen aan het besluit van 29 november 2011 en de stukken die zijn gewisseld in de daarop gevolgde bezwaar- en beroepsprocedure. Die stukken hebben geen betrekking op de hier aan de orde zijnde zaak, waarin het gaat om besluitvorming naar aanleiding van het verzoek van appellant om herziening van het besluit van 29 november 2011 op de grond dat het hof appellant heeft vrijgesproken (vergelijk de uitspraak van 16 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3980). Het college heeft dus niet in strijd met artikel 7:4, tweede lid, van de Awb gehandeld.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, voor zover aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M. van Paridon, in tegenwoordigheid van T. Ali als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2021.

(getekend) M. van Paridon

(getekend) T. Ali