Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1067

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
12-05-2021
Zaaknummer
20/3344 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag vanaf het eerste kwartaal van 2018. Geconcludeerd wordt dat appellant vanaf 1 januari 2018 niet verzekerd was op grond van de AKW omdat hij niet als ingezetene van Nederland kon worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 3344 AKW

Datum uitspraak: 6 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

18 augustus 2020, 19/6023 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Ö. Sahin, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 25 maart 2021 plaatsgevonden via beeldbellen. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Sahin en de tolk M. Majdoubi. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is geboren op [geboortedatum] 1945 in Marokko en heeft vanaf zijn 24e jaar tot medio 2014 in Nederland gewoond. Hij is daarna teruggekeerd naar Marokko. Op 18 februari 2019 heeft appellant kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aangevraagd voor zijn twee kleinkinderen [kind A] en [kind B] over wie hij vanaf 7 februari 2019 de voogdij heeft gekregen.

1.2.

Bij besluit van 19 april 2019 heeft de Svb de aanvraag om kinderbijslag met een jaar terugwerkende kracht beoordeeld. De aanvraag is afgewezen vanaf het eerste kwartaal van 2018 omdat appellant niet verzekerd is voor de AKW.

1.3.

Bij besluit van 7 juni 2019 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 april 2019 ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat appellant vanaf 1 januari 2018 niet in Nederland woont omdat hij geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland heeft. Om die reden kan appellant niet als ingezetene worden aangemerkt en is hij niet verzekerd voor de AKW.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant in 2014 naar Marokko is teruggekeerd en dat de bestaande banden van persoonlijke aard met Nederland op enig moment zijn verbroken. Dat appellant ruim 40 jaar in Nederland heeft gewoond en gewerkt is niet van belang voor de vraag of hij vanaf het eerste kwartaal van 2018 een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. De stelling van appellant dat hij een aantal maanden per jaar in Nederland bij zijn dochter verblijft, heeft appellant niet aangetoond of aannemelijk gemaakt. Dat appellant de Nederlandse nationaliteit heeft, een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) ontvangt en familie in Nederland heeft, is volgens de rechtbank van onvoldoende gewicht om ingezetenschap aan te nemen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij in Marokko woont, maar ook ingezetene is van Nederland. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat hij vanaf september 2014 naar Marokko is gegaan om diverse persoonlijke redenen. Zijn partner woont in Marokko en werd niet tot Nederland toegelaten. Hij was kostwinner en moest daardoor zijn huishouden in Nederland en in Marokko bekostigen en dat was financieel niet meer haalbaar. Zijn huis in Nederland is zelfs ontruimd en hij moest ook zijn zorgverzekering opzeggen. Zo waren er nog meer redenen waarom hij teruggekeerd is naar Marokko. Volgens appellant is echter altijd een duurzame band blijven bestaan met Nederland. Hij heeft namelijk de Nederlandse nationaliteit, heeft langdurig in Nederland gewoond, ontvangt AOW, zijn dochter woont in Nederland en hij bezoekt haar regelmatig. Als de coronaperiode voorbij is, wil appellant met partner, zoon en kleinkinderen weer in Nederland gaan wonen.

3.2.

Volgens de Svb heeft appellant bij zijn vertrek naar Marokko in 2014 zijn ingezetenschap van Nederland verloren. Appellant heeft in diverse gedingstukken benadrukt dat hij in Marokko woont. Dat appellant in het verleden lang in Nederland heeft gewoond, doet er voor de periode die nu in geding is niet meer toe. Appellant heeft na zijn vertrek naar Marokko niet zijn woonplaats in Nederland behouden.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

In geding is of appellant vanaf 1 januari 2018 ingezetene van Nederland was.

4.2.

In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AKW is bepaald dat verzekerd krachtens die wet degene is die ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene degene die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AKW naar de omstandigheden beoordeeld.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant woonplaats heeft in Marokko. De vraag die in dit geding moet worden beantwoord is of appellant vanaf 1 januari 2018 ook woonplaats in Nederland heeft.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak komt het er bij de beoordeling van de omstandigheden van ingezetenschap op aan of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Verwezen wordt naar de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466 en 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285 en de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908.

4.5.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant ten tijde in geding geen woonplaats had in Nederland. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de bestaande banden van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland op enig moment zijn verbroken door de in 2014 beoogde definitieve vestiging van appellant in Marokko, althans buiten Nederland. Appellant had geen woning of bezittingen meer in Nederland. De reden waarom appellant naar Marokko is teruggekeerd is niet van belang bij de beoordeling van het ingezetenschap. Dat appellant in het verleden vele jaren in Nederland heeft gewoond en gewerkt, een AOW-pensioen uit Nederland ontvangt, een dochter heeft die in Nederland woont en de wens heeft om met zijn familieleden naar Nederland terug te komen, zijn feiten en omstandigheden die kunnen duiden op een band met Nederland, maar zijn onvoldoende om appellant vanaf

1 januari 2018 als ingezetene van Nederland aan te merken. Deze omstandigheden zijn niet van dien aard dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen appellant en Nederland, zoals bedoeld in de in 4.4 genoemde rechtspraak. Dat appellant naar eigen zeggen enkele maanden per jaar bij zijn dochter in Nederland verblijft, is overigens op geen enkele wijze onderbouwd.

4.6.

Geconcludeerd wordt dat appellant vanaf 1 januari 2018 niet verzekerd was op grond van de AKW omdat hij niet als ingezetene van Nederland kon worden aangemerkt.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. van Gijzen als voorzitter en M. Wolfrat en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van E.M. Welling als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2021.

(getekend) A. van Gijzen

(getekend) E.M. Welling

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.