Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1063

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
20/2213 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum kinderbijslag op goede gronden vastgesteld. Onjuiste gegevensuitwisseling. De Svb heeft de geboorteaangifte terecht niet als aanvraag van kinderbijslag heeft aangemerkt. Onjuiste gegevensuitwisseling. Appellante heeft in de jaren tot 2019 niets ondernomen om de niet-toekenning van kinderbijslag onder de aandacht van de Svb te brengen en er zijn geen bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de beperking tot vijf jaar terugwerkende kracht niet evenredig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 2213 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 mei 2020, 19/7272 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 6 mei 2021

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar partner, [naam partner]. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1. Appellante ontvangt kinderbijslag voor haar dochter [naam dochter 1], geboren op [geboortedatum 1] 2003. Op 19 april 2006 is haar tweede dochter [naam dochter 2] geboren. Op [geboortedatum 2] 2006 is aangifte gedaan van de geboorte van [naam dochter 2] bij de gemeente [gemeente]. De gemeente [gemeente] heeft de geboorte binnen enkele dagen doorgegeven aan de woongemeente [woonplaats]. Deze gemeente heeft [naam dochter 2] om onbekende redenen pas op 18 juli 2006 geregistreerd in de basisregistratie personen (brp).

1.2.

De partner van appellante heeft op 19 juni 2019 bij de Svb dubbele kinderbijslag voor [naam dochter 2] aangevraagd. Daarbij is geconstateerd dat appellante geen kinderbijslag ontvangt voor [naam dochter 2], maar alleen voor haar eerste kind. Bij besluit van 27 juni 2019 heeft de Svb op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aan appellante met ingang van het tweede kwartaal van 2018 kinderbijslag toegekend voor [naam dochter 2].

1.3.

Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 juni 2019 is gegrond verklaard bij besluit van 7 november 2019 (bestreden besluit). Daarbij is het besluit van 27 juni 2019 herroepen en kinderbijslag voor [naam dochter 2] toegekend met ingang van het tweede kwartaal van 2014. De Svb heeft overwogen dat op grond van beleidsregel SB1067 kinderbijslag wordt toegekend met een maximale terugwerkende kracht van vijf jaar. Het had appellante na enige tijd duidelijk kunnen en moeten zijn dat zij geen kinderbijslag voor [naam dochter 2] ontving.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Svb de geboorteaangifte terecht niet als aanvraag van kinderbijslag heeft aangemerkt. Overwogen is dat de toetsing beperkt is tot de vraag of het beleid consistent is toegepast, omdat de Svb toepassing heeft gegeven aan buitenwettelijk begunstigend beleid. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat beleidsregel SB1067 niet consistent is toegepast. Daaraan doet volgens de rechtbank niet af dat de Svb in afwijking van de toen geldende beleidsregel – ten gunste van appellante – de kinderbijslag met terugwerkende kracht van vijf jaar heeft vastgesteld.

3.1.

Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat de kinderbijslag ten onrechte niet is toegekend met volledige terugwerkende kracht vanaf 19 april 2006. Appellante heeft gesteld dat de Svb niet bevoegd is om de toekenning te beperken tot een terugwerkende kracht van vijf jaar. Volgens appellante is met de aangifte van de geboorte feitelijk ook een aanvraag om kinderbijslag gedaan. Verder is gesteld dat de Svb op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van zijn beleid dient af te wijken vanwege bijzondere omstandigheden en de onevenredige gevolgen ervan ten opzichte van de ermee te dienen doelen. In dit verband heeft appellante betoogd dat de geboorteaangifte door de gemeente te laat is doorgegeven en door de Svb ten onrechte niet is verwerkt. Beleidsregel SB1067 is bedoeld om de toekenning van kinderbijslag voor het tweede kind en volgende kinderen makkelijker te maken. Het belang van de Svb om aanspraken achteraf te beperken tot vijf jaar is volgens appellante van onvoldoende gewicht. Appellante heeft ook gesteld dat de rechtbank had moeten uitspreken dat de Svb voor toekomstige gevallen maatregelen neemt om aan zijn zorgplicht te voldoen.

3.2.

De Svb heeft het standpunt ingenomen dat de fout in de gegevensuitwisseling tussen de brp en de Svb geen aanleiding geeft tot toekenning van kinderbijslag met een langere terugwerkende kracht dan vijf jaar. De Svb heeft toegelicht dat situaties zoals die van appellante aanleiding hebben gegeven om de mate van de terugwerkende kracht van één jaar in beleidsregel SB1067 te heroverwegen en daar vijf jaar van te maken. Hoewel de wijziging van deze beleidsregel pas na het nemen van het bestreden besluit in werking is getreden, geeft het in dit geval een juiste uitkomst.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geding is of appellante recht heeft op kinderbijslag voor [naam dochter 2] met een langere terugwerkende kracht dan vanaf het tweede kwartaal van 2014. Tussen partijen is niet in geschil dat de kinderbijslag niet automatisch na de geboorte van [naam dochter 2] is toegekend door een fout in de gegevensuitwisseling tussen de brp en de Svb.

Juridisch kader

4.2.

In artikel 14, eerste lid, van de AKW is – voor zover relevant – bepaald dat het recht op kinderbijslag op aanvraag wordt vastgesteld. In het derde lid van artikel 14 van de AKW is – voor zover relevant – bepaald dat het recht op kinderbijslag niet vroeger kan ingaan dan een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal tijdens welk de aanvraag om kinderbijslag werd ingediend.

4.3.

In beleidsregel SB1067 was ten tijde van het bestreden besluit – voor zover relevant – vermeld dat bij de geboorte van volgende kinderen de Svb automatisch kinderbijslag toekent als na de geboorte van het kind binnen 30 dagen aangifte is gedaan bij de burgerlijke stand in Nederland. De toekenning van de kinderbijslag vindt dan plaats op basis van gegevensuitwisseling tussen de brp en de Svb. Eventuele fouten in deze gegevensuitwisseling die tot gevolg hebben dat de Svb de kinderbijslag niet of niet tijdig toekent, komen voor risico en rekening van de Svb. In deze gevallen kent de Svb de kinderbijslag toe met een terugwerkende kracht van maximaal één jaar. Deze termijn wordt berekend vanaf het moment waarop de Svb de fout in de gegevensuitwisseling heeft geconstateerd, dan wel betrokkene een verzoek om herziening heeft ingediend.

Geboorteaangifte aan te merken als aanvraag?

4.4.

Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat gelet op beleidsregel SB1067 de geboorteaangifte in 2006 bij de gemeente [gemeente] als aanvraag om kinderbijslag moet worden aangemerkt. Onder een aanvraag wordt verstaan een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen. Dit volgt uit artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Van een dergelijk verzoek is geen sprake, omdat met het doen van aangifte geen besluit aan de Svb is gevraagd over kinderbijslag. Het door de Svb gevoerde beleid maakt dit niet anders.

Mate van terugwerkende kracht

4.5.

Nadat op 19 juni 2019 gebleken was dat de aangifte van de geboorte niet geleid heeft tot toekenning van kinderbijslag, heeft de Svb deze alsnog op verzoek toegekend. De Svb is daarbij terecht uitgegaan van 19 juni 2019 als aanvraagdatum. In het derde lid van artikel 14 van de AKW is voorzien in de mogelijkheid om kinderbijslag (op aanvraag) toe te kennen met een terugwerkende kracht van één jaar. Op grond van het – nadien gewijzigde – beleid van de Svb (neergelegd in SB1067) ten aanzien van terugwerkende kracht bij fouten in de gegevenswisseling, heeft de Svb aan appellante kinderbijslag toegekend met een terugwerkende kracht van vijf jaar. Deze mate van terugwerkende kracht berust daarom niet op de toepassing van wettelijke bepalingen, maar op buitenwettelijk begunstigend beleid van de Svb. Ter zitting van de Raad heeft de Svb toegelicht dat er in individuele omstandigheden aanleiding kan zijn om een langere terugwerkende kracht dan vijf jaar te hanteren. In de onderhavige zaak is dit niet gebeurd, omdat appellante in de jaren tot 2019 niets heeft ondernomen om de niet-toekenning van kinderbijslag onder de aandacht van de Svb te brengen en er geen bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de beperking tot vijf jaar niet evenredig is.

4.6.

De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat de rechterlijke toetsing in dit geval beperkt is tot de vraag of de Svb zijn buitenwettelijk begunstigend beleid consistent heeft toegepast. In het kader van deze toetsing is niet aan de orde of het beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten gaat, of het beleid onredelijk is, dan wel of sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb. Verwezen wordt naar de uitspraken van de Raad van 11 januari 2018 en 26 februari 2013.1

4.7.

Appellante heeft benadrukt dat onvoldoende is meegewogen dat zij ongeveer acht jaar kinderbijslag is misgelopen als gevolg van de onjuiste gegevensuitwisseling en dat er verzachtende omstandigheden waren waardoor zij niet eerder achter het niet-toekennen van de kinderbijslag is gekomen. Deze omstandigheden leiden, alleen al vanwege het gestelde in 4.6, niet tot het oordeel dat de Svb, die al in het voordeel van appellante van zijn destijds geldende buitenwettelijke begunstigende beleid is afgeweken, de kinderbijslag met een verdere terugwerkende kracht dan vijf jaar had dienen toe te kennen. Vaste rechtspraak van de Raad is overigens, dat financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van vijf jaar niet meer in rechte afdwingbaar zijn, behoudens in het geval bij wet anders is voorzien of door de wetgever anders is beoogd.2 Van dit laatste is, zoals uit de voorgaande overwegingen blijkt, geen sprake.

Overige verzoeken

4.8.

Anders dan appellante veronderstelt, is de bestuursrechter niet bevoegd om zich uit te spreken over eventuele maatregelen die de Svb zou moeten nemen om in toekomstige gevallen aan zijn zorgplicht te voldoen. De bevoegdheid is beperkt tot de beoordeling van (de rechtmatigheid van) het besluit waartegen appellante in (hoger) beroep is opgekomen. De rechtbank heeft zijn beoordeling daarom ook terecht hiertoe beperkt.

Conclusie

4.9.

Uit overweging 4.1 tot en met 4.8 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Gijzen als voorzitter en mr. M. Wolfrat en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van E.M. Welling als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2021.

(getekend) A. van Gijzen

(getekend) E.M. Welling

1 ECLI:NL:CRVB:2018:1 en ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2297.

2 Vergelijk de uitspraken van 1 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3759, en van 26 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:811.