Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:106

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2021
Datum publicatie
20-01-2021
Zaaknummer
19/5061 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag om bijzondere bijstand voor woninginrichting. Geen bijzondere omstandigheden. De Verhuizing was voorzienbaar en niet medisch noodzakelijk. Bijzondere bijstand voor legeskosten is terecht afgewezen omdat al in deze kosten is voorzien. Voor het in behandeling nemen van de aanvraag van bijzondere bijstand voor verhuiskosten is de gemeente waar de kosten zijn opgekomen (vertrekkende gemeente) bevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 5061 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

11 oktober 2019, 18/8088 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak: 12 januari 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.K. Bhadai, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving in de periode hier van belang bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). Zij stond sinds 9 maart 2015 onder beschermingsbewind van de Stichting Kredietbank Nederland (bewindvoerder) en was per 5 augustus 2015 toegelaten tot de schuldsanering in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen. Appellante woonde in de gemeente Soest en heeft met ingang van 5 maart 2018 een huurcontract afgesloten voor een woning op het adres X te Den Haag. Met ingang van 16 maart 2018 staat appellante ingeschreven op dat adres.

1.2.

Op 22 juni 2018 en op 9 juli 2018 heeft appellante bijzondere bijstand aangevraagd op grond van artikel 35, eerste lid, van de PW voor respectievelijk de kosten van woninginrichting en de legeskosten voor het aanvragen van een verblijfsvergunning.

1.3.

Bij afzonderlijke besluiten van 26 juli 2018, na bezwaren gehandhaafd bij besluit van 29 oktober 2018 (bestreden besluit), heeft het college de aanvragen om bijzondere bijstand afgewezen. Aan de afwijzing van de bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting heeft het college ten grondslag gelegd dat geen noodzaak bestond om te verhuizen zodat deze kosten niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Aan de afwijzing van de bijzondere bijstand voor de legeskosten heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante via de bewindvoerder deze kosten reeds had voldaan zodat deze kosten zich ten tijde van de aanvraag niet meer voordeden. Ten aanzien van de in bezwaar aangevoerde verhuiskosten heeft het college zich op het standpunt gesteld dat op het moment dat iemand gaat verhuizen, hij nog zijn domicilie heeft in de gemeente van vertrek en dat de verhuiskosten daarom onder de gemeente Soest vallen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW dient eerst te worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft de bijstandverlenende instantie een zekere beoordelingsruimte.

Bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting

4.2.1.

Niet in geschil is dat de kosten van woninginrichting zich voordeden en dat die kosten in het individuele geval van appellante noodzakelijk waren. Tussen partijen is in geschil of is voldaan aan het vereiste dat de betreffende kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

4.2.2.

De kosten van woninginrichting behoren tot de incidenteel voorkomende algemene kosten van het bestaan. Die kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen van de betrokkene hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Daarvoor wordt alleen bijzondere bijstand verleend indien de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat die kosten niet uit het inkomen op het niveau van de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.

4.2.3.

Appellante heeft aangevoerd dat in haar geval sprake is van uit bijzondere omstandigheden omdat sprake is van een noodzakelijke verhuizing. Daartoe heeft zij gesteld dat zij door haar medische toestand moest verhuizen en de verhuizing niet tijdig was te voorzien. Zij heeft voor deze kosten voorts niet kunnen reserveren omdat zij uit haar bijstandsnorm al nauwelijks in haar levensbehoeftes kan voorzien. Vanwege haar medische toestand heeft zij extra uitgaven moeten maken.

4.2.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarbij is van belang dat appellante – zoals blijkt uit de door haar overgelegde verklaring van haar cliëntondersteuner van 22 juni 2018 – al jarenlang heeft gereageerd op Woonnet-Haaglanden om aanspraak te maken op een woning in Den Haag. De verhuizing van appellante was vanaf dat moment voorzienbaar en zij heeft dus voor die kosten kunnen reserveren. Appellante heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de situatie opeens zo acuut was geworden dat zij niet langer kon wachten met de verhuizing. Anders dan appellante meent, blijkt uit het in bezwaar overgelegde journaal van haar huisarts van 8 augustus 2018 niet dat sprake is van een dringende onvoorziene medische situatie die zou moeten leiden tot een verhuizing. De informatie van de huisarts bevestigt enkel dat appellante al langere tijd recidiverende lichamelijke klachten heeft, maar daaruit blijkt niet van een noodzaak om te verhuizen om al dan niet medische en/of sociale redenen. De bijstandsnorm van appellante wordt in beginsel toereikend geacht om elke maand een bedrag te kunnen reserveren voor de in geding zijnde voorzienbare kosten. Appellante heeft haar stelling dat zij uit die norm nauwelijks in haar levensbehoeftes kan voorzien en vanwege haar medische toestand extra uitgaven heeft moeten maken, niet onderbouwd.

Bijzondere bijstand voor de legeskosten

4.3.

Appellante heeft, evenals in beroep, aangevoerd dat zij niet wist dat zij voor de legeskosten moest reserveren via haar bewindvoerder en dat het college ten onrechte niet heeft onderzocht in hoeverre appellante reserveringscapaciteit had of een lening had kunnen afsluiten. Deze beroepsgrond slaagt niet. Vaststaat dat de verschuldigde leges op 2 juli 2018 door de bewindvoerder is betaald uit het budget van appellante. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat in deze kosten ten tijde van de aanvraag op 9 juli 2018 reeds was voorzien. Aangezien deze kosten zich ten tijde van de aanvraag niet meer voordeden, was voor verlening van bijzondere bijstand in die kosten reeds hierom in beginsel geen plaats. Van omstandigheden die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen, is niet gebleken.

Bijzondere bijstand voor verhuiskosten

4.4.

Appellante heeft aangevoerd dat het college de afwijzing van de bijzondere bijstand voor de verhuiskosten niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt niet. Blijkens het bestreden besluit berust de afwijzing van de verhuiskosten op het standpunt dat appellante niet in de gemeente Den Haag woonde toen deze kosten zich voordeden. Hieruit volgt dat, gelet op artikel 40, eerste lid, van de PW, voor deze kosten daarom geen recht bestond op bijzondere bijstand jegens het college.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2021.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) R.B.E. van Nimwegen