Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1053

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
19/144 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum AOW-pensioen. Aanvraag ouderdomspensioen in andere EU-lidstaat. Herziening met terugwerkende kracht ten nadele. Voorlopige toepassing van “oude” 3:4 Awb-beleid. Matiging herziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 144 AOW

Datum uitspraak: 6 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

28 november 2018, 17/5602 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (Duitsland) (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 25 januari 2021 heeft de Svb vragen van de Raad beantwoord.

Namens appellant heeft mr. G.J. de Kaste, advocaat, aanvullende gronden ingediend.

De Svb heeft nog een nader stuk aan de Raad toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Kaste. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

J.Y. van den Berg.

OVERWEGINGEN

Besluiten van de Svb

1.1.

Appellant is geboren op [geboortedatum] 1948 en bereikte de pensioengerechtigde leeftijd op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) op 15 juni 2013. Hij heeft vanaf zijn 20ste jaar in diverse landen buiten Nederland gewoond en gewerkt. Laatstelijk heeft appellant gewerkt in België. De aanvraag om ouderdomspensioen op grond van de AOW is bij de Svb binnengekomen via het Belgische zusterorgaan, de Rijksdienst voor Pensioenen (RVP). De RVP heeft de aanvraag van appellant op 22 juli 2015 ontvangen. Op een aantal door de Svb toegezonden inlichtingenformulieren heeft appellant vermeld dat hij op 26 september 2015 gehuwd is met [naam partner].

1.2.

Bij besluit van 27 januari 2016 heeft de Svb aan appellant vanaf 1 juli 2014 (een jaar voor de maand waarin de RVP de aanvraag van appellant ontving) een ouderdomspensioen toegekend van 22% van het maximale bedrag voor een gehuwde pensioengerechtigde. Tevens is vanaf die datum een toeslag voor zijn partner toegekend van 46% van de maximale toeslag.

1.3.

Bij de beslissing op bezwaar van 18 augustus 2017 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 januari 2016 gegrond verklaard en dit besluit herroepen. Beslist is dat appellant in de periode van 1 juli 2014 tot en met 30 september 2015 recht heeft op 34% van het maximale ouderdomspensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde. Vanaf 1 oktober 2015 heeft hij recht op 34% van het maximale bedrag voor een gehuwde pensioengerechtigde. Appellant heeft geen recht op toeslag voor zijn partner omdat hij na 1 januari 2015 is getrouwd en hij voorafgaande aan zijn huwelijk niet met haar samenwoonde. Door de herziening van het AOW-pensioen van appellant heeft hij over de periode van juli 2014 tot en met juli 2017 € 3.749,71 bruto te veel aan AOW-pensioen ontvangen. Weliswaar heeft de Svb bij de toekenning een fout gemaakt, maar het had appellant redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat aan hem ten onrechte toeslag is toegekend. Er is dus geen sprake van een dringende reden om af te zien van herziening.

Aangevallen uitspraak

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank – met bepalingen over vergoeding van reiskosten en griffierecht – het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij is bepaald dat appellant over de periode van 3 augustus 1968 tot en met 15 juni 1969 niet voor de AOW verzekerd is geacht. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat appellant over die periode wel voor de AOW verzekerd is geweest. Verder heeft de rechtbank overwogen dat vast staat dat de Svb een te hoog bedrag aan ouderdomspensioen heeft toegekend. De Svb moest deze toekenning met terugwerkende kracht herzien. Van dringende redenen voor de Svb om op grond van het beleid van herziening af te zien, is geen sprake. Appellant had de vergissing van de Svb kunnen begrijpen. Hij is na 1 januari 2015 getrouwd en toen kon er door een wetswijziging geen recht op toeslag meer ontstaan. Verder is er volgens de rechtbank geen aanleiding om het pensioen toe te kennen met een verdergaande terugwerkende kracht dan één jaar. Het beleid, neergelegd in SB1071, is niet onredelijk en de Svb heeft de situatie van appellant op grond van dat beleid niet hoeven aanmerken als bijzonder geval. Met betrekking tot het beroep van appellant op de zogeheten twee-woningenregel heeft de rechtbank gewezen op de uitspraak van de Raad van 14 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:583.Volgens die uitspraak is de weigering van de Svb om deze regel toe te passen op gehuwden, niet in strijd met het nationale recht. Ook leidt dit niet tot een schending van de discriminatieverboden die zijn opgenomen in diverse verdragen.

Hoger beroep

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep in hoofdzaak drie gronden tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd. Zijn eerste grond is dat de Svb voor de ingangsdatum van zijn ouderdomspensioen had moeten aansluiten bij zijn eerste aanvraag die hij op 31 oktober 2013 in België heeft ingediend bij de RVP. Dat de RVP zijn aanvraag niet verder in behandeling heeft genomen omdat hij wegens persoonlijke omstandigheden de gevraagde gegevens niet heeft verstrekt, maakt dit niet anders. Volgens appellant is niet vereist dat een aanvraag die is ingediend bij een buitenlandse pensioeninstantie, door die instantie ook in behandeling wordt genomen. Subsidiair is in zijn geval sprake van een bijzonder geval om een langere terugwerkende kracht dan één jaar toe te passen. Als tweede grond heeft appellant naar voren gebracht dat hij niet heeft kunnen onderkennen dat de Svb een fout in de toekenning van zijn ouderdomspensioen had gemaakt. Hij heeft vanaf zijn 25ste levensjaar niet meer in Nederland gewoond en pensioenrechten opgebouwd in vijf andere landen. Hij kan niet van elk land de pensioenregelingen kennen. Volgens appellant moet de Svb zijn eigen beleidsregels ruimer toepassen en afzien van herziening en terugvordering van de teveel betaalde toeslag. Als derde grond heeft appellant uitgebreid beargumenteerd waarom de twee-woningenregel ook in zijn geval moet worden toegepast.

Vragen aan de Svb

3.2.

Bij brief van 17 december 2020 heeft de griffier van de Raad in deze zaak en een aantal andere vergelijkbare zaken het volgende aan de Svb voorgelegd.

“Tot 1 september 2016 hield het beleid van de Svb ook in dat met toepassing van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel of gedeeltelijk van herziening werd afgezien als de bijzondere omstandigheden van het geval leiden tot het oordeel dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. Hierbij speelde onder meer de mate van verwijtbaarheid van de betrokkene en de Svb een rol.

Volgens het Besluit Beleidsregels Svb 2016 is dit zogenoemde 3:4-beleid vervallen omdat de Svb in het kader van de dringende redenen ook al toetst aan artikel 3:4 van de Awb. De Raad vraagt zich af waaruit in de diverse zaken blijkt dat deze toets heeft plaatsgevonden en wat deze precies inhoudt. Met name vraagt de Raad zich af of de mate van verwijtbaarheid aan de kant van de Svb daarbij nog een rol speelt in dit verband.

In het verlengde hiervan verzoek ik de Svb eveneens in te gaan op het vereiste van “good governance”, zoals aan de orde in de arresten van het Europees Hof voor de rechten van de mens in de zaken Cakarevic/Kroatië (nr. 48921/13, ECLI:CE:ECHR:2018:0426JUD004892113), Moskal/Polen (Nr. 10373/05, ECLI:CE:ECHR:2009:0915JUD001037305), Czaja/Polen (nr. 5744/05, ECLI:CE:ECHR:2012:1002JUD000574405) en Grobelny/Polen (nr. 60477/12, ECLI:CE:ECHR:2020:0305JUD006047712) en de vraag of dit vereiste de Svb aanleiding geeft de herziening en de terugvordering te beperken.”

Reactie van de Svb en nader standpunt

3.3.

Op deze vragen van de Raad heeft de Svb nader toegelicht dat er aanleiding is om in bepaalde gevallen de herziening te matigen. Het gaat daarbij om gevallen waarin de betrokkene zijn verplichtingen is nagekomen en de herziening het gevolg is van een fout van de Svb. Gebleken is dat ten aanzien van de toets van dringende redenen binnen de Svb onvoldoende duidelijk is dat de Svb, zoals vermeld in het Besluit beleidsregels Svb 2016, ook volgens zijn beleid dient te toetsen aan artikel 3:4 van de Awb. Die onduidelijkheid is aanleiding geweest voor de Svb om in deze en andere soortgelijke gevallen te besluiten voorlopig het “oude” beleid over toepassing van artikel 3:4 van de Awb tijdelijk weer expliciet van toepassing te verklaren. De Svb vindt dat hiermee ook een redelijke invulling wordt gegeven aan het vereiste van “good governance”. De Svb is voornemens de essentie van dit beleid weer op te nemen in de beleidsregels, maar zonder verwijzing naar artikel 3:4 van de Awb. Het is een tijdelijke oplossing totdat nieuw beleid is geformuleerd, waarbij ook het beginsel van “good governance”, zoals aan de orde in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), zal worden meegenomen.

3.4.

De in 3.3 omschreven gedragslijn heeft in het geval van appellant geleid tot het volgende. Bij brief van 4 februari 2021 heeft de Svb aan de Raad meegedeeld dat gelet op alle feiten en omstandigheden een matiging van de totale herziening met de helft redelijk is. De Svb heeft de Raad verzocht zelf in de zaak te voorzien.

3.5.

Ter zitting van de Raad heeft appellant in reactie op het nadere standpunt van de Svb te kennen gegeven dat hij een matiging van de herziening tot de helft niet redelijk vindt, onder ander omdat hij vanwege de latere ingangsdatum ook al een jaar ouderdomspensioen mist.

Oordeel van de Raad

4. De Raad oordeelt als volgt.

Ingangsdatum AOW-pensioen (eerste grond)

4.1.

Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AOW kan – samengevat – het ouderdomspensioen niet eerder ingaan dan een jaar vóór de dag waarop de aanvraag is ingediend. De Svb kan voor bijzondere gevallen hiervan afwijken.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant al op 31 oktober 2013 een aanvraag om ouderdomspensioen bij de RVP heeft ingediend. Bij deze aanvraag heeft appellant onder meer vermeld dat hij in Nederland is geboren en aanspraak maakt op deelpensioen uit Nederland omdat hij de Nederlandse nationaliteit heeft en ook in Nederland als zelfstandige werkzaam is geweest van 1985 tot en met 1994. De RVP heeft bij beslissing van 1 september 2014 aan appellant meegedeeld dat zijn rechten niet kunnen worden vastgesteld omdat hij een aantal gevraagde inlichtingen niet heeft gegeven. Daarom wordt pensioen geweigerd vanaf 1 november 2013. De RVP heeft de aanvraag van 31 oktober 2013 kennelijk om die reden niet doorgezonden aan de Svb.

4.3.

Volgens de Svb kan appellant zich niet beroepen op het in artikel 45, vijfde lid, van Verordening (EG) nr. 987/2009 (Vo 987/2009) neergelegde beginsel dat de datum van indiening van een aanvraag in een lidstaat geldt als aanvraag voor alle betrokken organen van andere lidstaten. Appellant heeft namelijk niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 46, eerste lid, van die verordening dat hij bij zijn aanvraag alle beschikbare relevante gegevens en bewijsstukken moet voegen.

4.4.

De Raad volgt de Svb niet in dit standpunt.

4.5.

In artikel 45, onder B, “Indiening van andere aanvragen om uitkeringen”, van Vo 987/2009 is het volgende opgenomen:

“4. In andere situaties dan de in lid 1 bedoelde richt de aanvrager een aanvraag hetzij aan het orgaan van zijn woonplaats, hetzij aan het orgaan van de lidstaat aan de wetgeving waarvan hij het laatst onderworpen is geweest. Indien de betrokkene nimmer onderworpen is geweest aan de door het orgaan van zijn woonplaats toegepaste wetgeving, zendt dit orgaan de aanvraag door aan het orgaan van de lidstaat aan de wetgeving waarvan hij het laatst onderworpen is geweest.

5. De datum van indiening van de aanvraag geldt voor alle betrokken organen.

6. Indien de aanvrager, hoewel hem daarom is verzocht, niet vermeldt dat hij in andere lidstaten werkzaam is geweest of heeft gewoond, geldt in afwijking van lid 5 als datum van indiening van de aanvraag bij het orgaan dat de wetgeving toepast — onder voorbehoud van gunstiger bepalingen in die wetgeving — de datum waarop de aanvrager zijn oorspronkelijke aanvraag completeert of een nieuwe aanvraag indient voor de ontbrekende tijdvakken van werkzaamheid, al dan niet in loondienst, of van wonen.”

4.6.

Artikel 46, eerste lid, van Vo 987/2009 luidt als volgt:

“De aanvraag wordt door de aanvrager ingediend volgens de bepalingen van de wetgeving die door het in artikel 45, lid 1 of lid 4, van de toepassingsverordening bedoelde orgaan wordt toegepast, en gaat vergezeld van de bij die wetgeving voorgeschreven bewijsstukken. Met name verstrekt de aanvrager alle beschikbare relevante gegevens en bewijsstukken betreffende de tijdvakken van verzekering (organen, identificatienummers) van werkzaamheden in loondienst (werkgevers) of anders dan in loondienst (aard en plaats van de werkzaamheden) en van wonen (adressen) die in voorkomend geval onder een andere wetgeving vervuld zijn, alsmede betreffende de duur van die tijdvakken.”

4.7.

Anders dan de Svb is de Raad van oordeel dat 31 oktober 2013 moet gelden als datum waarop appellant bij de Svb een aanvraag om ouderdomspensioen heeft ingediend. Op grond van artikel 45, vijfde lid, van Vo 987/2009 is de hoofdregel dat de datum waarop een aanvraag wordt ingediend bij het orgaan van de woonplaats of het laatste werkland, geldt als datum van indiening van de aanvraag voor alle betrokken organen. Een uitzondering op de hoofdregel geldt als de betrokkene ondanks een hiertoe strekkend verzoek niet vermeldt dat hij in andere lidstaten heeft gewoond of gewerkt. Dit is bepaald in artikel 45, zesde lid, van Vo 987/2009. In het geval van appellant is deze uitzondering niet aan de orde. Appellant heeft in zijn brief aan de RVP van 31 oktober 2013 vermeld dat hij in andere lidstaten, waaronder Nederland, heeft gewoond en gewerkt. Deze brief is door de RVP aangemerkt als rechtstreekse aanvraag voor een Belgisch rustpensioen en is doorgestuurd naar het Bureau Internationale overeenkomsten. Dit Bureau heeft appellant om verdere informatie verzocht. Dat appellant vervolgens de gevraagde inlichtingen niet (tijdig) heeft verschaft, doet er niet aan af dat in ieder geval een begin van een aanvraag was ingediend.

4.8.

Wat is overwogen in 4.7 strookt met een eerder standpunt van de Svb over de toepassing van vergelijkbare regels in Verordening (EEG) nr. 574/72, de voorganger van Vo 987/2009, zoals dit blijkt uit de uitspraak van de Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4509. In die zaak heeft de Svb zich op het standpunt gesteld dat het beginsel dat de datum van indiening van een aanvraag bij het buitenlandse orgaan als datum van indiening bij de organen in alle bevoegde lidstaten moet gelden, zijn grens vindt als een belanghebbende op geen enkele manier opgaaf doet of een indicatie geeft van enige woon- of werktijdvakken in Nederland. Naar het oordeel van de Raad sluit dat standpunt volledig aan bij artikel 45, zesde lid, van Vo 987/2009. Alleen als in de aanvraag om ouderdomspensioen onvoldoende aanknopingspunten voor het ontvangende orgaan aanwezig zijn dat mogelijk sprake is van verzekeringstijdvakken in andere lidstaten, of onvoldoende duidelijk blijft welke lidstaten dit betreft, is de uitzondering van artikel 45, zesde lid, van Vo 987/2009 van toepassing. In andere gevallen is de hoofdregel van artikel 45, vijfde lid, van deze verordening van toepassing. Dat vervolgens de aanvraag moet worden gecompleteerd als bedoeld in artikel 46 van Vo 987/2009, doet aan het moment van indiening van de aanvraag niet af.

4.9.

Dit betekent dat de Svb had moeten uitgaan van een datum van aanvraag voor het ouderdomspensioen op grond van de AOW van 31 oktober 2013. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Matiging van de herziening (tweede grond)

4.10.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant geen recht had op een toeslag op zijn AOW-pensioen voor zijn partner.

4.11.

Voorop wordt gesteld dat uit artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder b, van de AOW volgt dat als de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de Svb verplicht is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken. Uitgangspunt van artikel 17a, eerste lid, van de AOW is volgens de wetsgeschiedenis, dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden, maar dat aangesloten moet worden bij het rechtszekerheidsbeginsel zoals dat in de rechtspraak is ontwikkeld.

Toepassing beleid

4.12.

De Svb heeft beleid ontwikkeld voor het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat de Svb niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend. In een dergelijk geval herziet de Svb de uitkering in beginsel zonder terugwerkende kracht.

4.13.

Niet in geschil is dat appellant al zijn verplichtingen is nagekomen. Maar evenals de rechtbank en de Svb is de Raad van oordeel dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij geen recht had op toeslag tussen 1 juli 2014 en 26 september 2015 omdat hij toen nog geen toeslagpartner had in de zin van de AOW. Appellant was in die periode niet gehuwd en woonde ook niet samen. Vanaf 1 januari 2015 was de wet gewijzigd en kon er geen recht op partnertoeslag meer ontstaan als gevolg van wijziging van de leefvorm.

4.14.

Dit betekent dat het onder 4.12 vermelde beleid er niet aan in de weg stond dat de Svb bij de herziening van het AOW-pensioen van appellant terugwerkende kracht toepaste.

Toepassing nieuwe gedragslijn

4.15.

Zoals beschreven in 3.3 hanteert de Svb – in afwachting van nieuw beleid – inmiddels ook een vaste gedragslijn in zaken als deze, waarin de uitkering is herzien met volledig terugwerkende kracht ten nadele van de belanghebbende. In die gedragslijn is aansluiting gezocht bij het in 3.3 genoemde “oude” beleid over toepassing van artikel 3:4 van de Awb. In dit beleid was de mogelijkheid opgenomen geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien als de bijzondere omstandigheden van het geval tot het oordeel leiden dat een volledig terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. Bij de beoordeling of sprake is van kennelijke onredelijkheid werd waarde gehecht aan de mate waarin aan de belanghebbende en aan de Svb een verwijt kon worden gemaakt. Ook was van belang de mate waarin de herziening met volledige terugwerkende kracht en de hiermee gepaard gaande terugvordering onevenredig ingrijpend is in het dagelijkse leven van de belanghebbende. Als de Svb op grond van deze factoren van oordeel was dat volledige herziening kennelijk onredelijk was, werd de terugwerkende kracht van de herziening of intrekking gematigd. Dit beleid heeft eerder niet op bedenkingen van de Raad gestuit.

4.16.

In het geval van appellant heeft deze gedragslijn ertoe geleid dat de Svb de terugwerkende kracht van de herziening wil matigen tot de helft. In de brief van 4 februari 2021 heeft de Svb uiteengezet hoe hij tot deze matiging is gekomen. De Svb heeft een fout gemaakt terwijl alle informatie van appellant om een juist besluit te nemen voorhanden was. Volgens de Svb past over de periode van 1 juli 2014 tot 1 september 2015 een matiging met een kwart, omdat appellant in die periode had kunnen weten dat de Svb een onjuist besluit had genomen. Pas na 26 september 2015 acht de Svb het relevant dat appellant zich beroept op het feit dat hij niet had hoeven onderkennen dat geen recht op een toeslag bestond. Appellant had wel op de hoogte kunnen zijn van de wijziging van de AOW per 1 januari 2015, maar de Svb vindt het onredelijk dat geen enkel gevolg wordt getrokken uit de fout die de Svb heeft gemaakt. Mede gezien het feit dat appellant langdurig in het buitenland woonde, vindt de Svb een matiging met de helft redelijk over de periode gerekend vanaf 1 september 2015 tot en met juli 2017. Nu appellant het volledige bedrag van de herziening al heeft terugbetaald en de matiging van de herziening pas in 2021 plaatsvindt, vindt de Svb een matiging van de totale herziening met de helft passend en redelijk.

4.17.

Naar het oordeel van de Raad heeft de Svb met deze matiging voldoende rekening gehouden met alle gebleken omstandigheden van het geval. De Svb heeft in deze zaak zijn vaste gedragslijn, neerkomend op toepassing van het “oude” 3:4-beleid, consistent toegepast.

Dringende reden

4.18.

Op grond van artikel 17a, tweede lid, van de AOW kan de Svb geheel of gedeeltelijk afzien van de herziening als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Het moet dan gaan om incidentele uitzonderingen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt. Volgens vaste rechtspraak kunnen dringende redenen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een herzieningsbesluit voor de betrokkene heeft (vergelijk de uitspraak van de Raad van 25 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6492). De door appellant aangevoerde argumenten duiden niet op dringende redenen waarom de Svb de herziening met meer dan met de helft zou moeten matigen.

Twee-woningenregel (derde grond)

4.19.

Appellant heeft aangevoerd dat vanaf de datum van zijn huwelijk de tweewoningenregel moet worden toegepast. Appellant heeft een woning in Duitsland en zijn echtgenote een woning in Rusland. Hij voldoet aan de criteria zoals neergelegd in artikel 2, eerste lid, van het Besluit regels hoofdverblijf in dezelfde woning AOW (Besluit). Aan hem zou daarom een AOW-pensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde moeten worden toegekend.

4.20.

De Raad volgt appellant niet in dit betoog. Evenals de rechtbank verwijst de Raad naar de uitspraak van 14 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:583, waarin op een vergelijkbare grond is ingegaan in overweging 4.9.1. Overwogen is dat artikel 2 van het Besluit, gelezen in samenhang met artikel 1, vierde en vijfde lid, van de AOW uitsluitend betrekking heeft op ongehuwden, omdat voor gehuwden de vraag naar het hoofdverblijf niet van belang is. De leefsituatie die appellant heeft geschetst, maakt dit oordeel niet anders.

Conclusie

4.21.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak wordt vernietigd. De Raad zal de uitspraak van de rechtbank vernietigen voor zover deze is aangevochten. Niet aangevochten zijn de gegrondverklaring van het beroep, de vaststelling door de rechtbank dat appellant verzekerd is geweest voor de AOW over het tijdvak 3 augustus 1968 tot en met 15 juni 1969, en de door de rechtbank uitgesproken veroordeling van de Svb in de proceskosten en griffierecht van appellant. Die elementen van de aangevallen uitspraak blijven dus in stand. Met betrekking tot de aangevochten onderdelen van de uitspraak van de rechtbank acht de Raad zich niet in staat zelf in de zaak te voorzien, nu zowel de ingangsdatum als het percentage van het aan appellant toekomende ouderdomspensioen moeten worden gewijzigd en de Svb bovendien voor de herziening het terug te betalen bedrag bepalend wil laten zijn, terwijl de wet strikt genomen slechts een toekenning of herziening met ingang van een bepaalde datum kent. De Raad zal daarom opdracht geven aan de Svb om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen.

4.22.

De Svb zal een nieuw besluit moeten nemen als gevolg waarvan het bedrag dat is gemoeid met de herziening wordt teruggebracht van € 3.749,71 naar € 1.874,85. Omdat appellant het volledige bedrag van de herziening al had terugbetaald aan de Svb, moet de Svb dan nog een bedrag van € 1.874,85 aan appellant betalen. Daarnaast heeft appellant recht op een nabetaling omdat de ingangsdatum van het pensioen alsnog wordt gesteld op 15 juni 2013, én omdat de korting op het ouderdomspensioen van appellant wordt verlaagd omdat hij alsnog verzekerd wordt geacht van 3 augustus 1968 tot en met 15 juni 1969.

4.23.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. De Svb zal worden veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. Deze worden begroot op € 1.068,- voor verlening van rechtsbijstand in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dit door de rechtbank in stand is gelaten;

  • -

    bepaalt dat de Svb een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat het beroep tegen het door de Svb te nemen nieuwe besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

  • -

    veroordeelt de Svb tot vergoeding van proceskosten aan appellant tot een bedrag van

€ 1.068,-;

- bepaalt dat de Svb aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 128,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en A. van Gijzen en M. Wolfrat als leden, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2021.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) R. van Doorn