Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1051

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
18/4797 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is uitsluitend in geschil de vraag vanaf welke datum het zorgkantoor in verzuim zou zijn geweest als bedoeld in artikel 4:102, tweede lid, van de Awb. De Raad volgt appellanten niet in hun betoog dat moet worden uitgegaan van de aanvraagdatum van 5 mei 2011. De Raad volgt appellanten evenmin in hun betoog dat moet worden uitgegaan van een aanvraagdatum van 18 juli 2013. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het zorgkantoor bij de toepassing van artikel 4:102, tweede lid, van de Awb heeft mogen uitgaan van de ontvangst van de aanvraag voor meerzorg op 23 oktober 2013. Eerst op die datum heeft betrokkene zich tot het zorgkantoor gewend met het verzoek een besluit te nemen over haar aanspraak op meerzorg. Uit wat is overwogen volgt dat de hoger beroepen niet slagen en dat de aangevallen uitspraken, voor zover aangevochten, moeten worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/347
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4797 AWBZ, 18/4803 AWBZ

Datum uitspraak: 6 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 20 juli 2018, 16/4432, 17/690 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

de erven en of rechtverkrijgenden van [betrokkene], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (appellanten)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. L.E. Roberts-Hafkamp hoger beroepen ingesteld.

Het zorgkantoor heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2021. Namens appellanten is [dochter], dochter van [betrokkene] (betrokkene), verschenen, bijgestaan door mr. Roberts-Hafkamp. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Gezer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

CIZ heeft betrokkene bij besluit van 30 juni 2011 naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag van 5 mei 2011 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) met ingang van 30 juni 2011 geïndiceerd voor zorgzwaartepakket LG06. CIZ heeft bij besluit van 17 oktober 2011 het bezwaar tegen het besluit van 30 juni 2011 ongegrond verklaard en betrokkene geïndiceerd voor zorgzwaartepakket VV07. Hangende het beroep tegen het besluit van 17 oktober 2011 heeft CIZ het besluit van 17 oktober 2011 herzien en betrokkene geïndiceerd voor zorgzwaartepakket LG07.

1.2.

Betrokkene heeft zich bij e-mail van 18 juli 2013 en bij brief van 22 oktober 2013 tot het zorgkantoor gewend. Betrokkene heeft bij de laatstgenoemde brief een aanvraag om meerzorg gevoegd met als gewenste ingangsdatum 30 juni 2011.

1.3.

Het zorgkantoor heeft bij besluit van 14 april 2014, nader toegelicht bij brief van 19 mei 2014, aan betrokkene meerzorg toegekend voor het jaar 2014.

1.4.

Het zorgkantoor heeft bij besluit van 31 maart 2015 het bezwaar tegen het besluit van 14 april 2014 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 10 juni 2016 het beroep tegen het besluit van 31 maart 2015 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het zorgkantoor opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft hierbij, voor zover van belang, overwogen dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de afrekening van de meerzorg in het jaar 2014.

1.5.

Het zorgkantoor heeft bij besluit van 16 augustus 2016 het bezwaar tegen het besluit van 14 april 2014 gedeeltelijk gegrond verklaard en voor de periode van 30 juni 2011 tot en met 31 december 2013 meerzorg toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Het zorgkantoor heeft bij besluit van 13 oktober 2016 (bestreden besluit 1) het besluit van 16 augustus 2016 ingetrokken en het bezwaar opnieuw gedeeltelijk gegrond verklaard. Het zorgkantoor heeft hierbij het pgb van betrokkene voor meerzorg voor de periode van 30 juni 2011 tot en met 31 december 2013 opgehoogd.

1.6.

Op 15 november 2016 is betrokkene overleden.

1.7.

Betrokkene heeft in het bezwaarschrift tegen het besluit van 14 april 2014 een verzoek ingediend om vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over het na te betalen bedrag. Het zorgkantoor heeft bij besluit van 14 december 2016, gehandhaafd bij besluit van 25 januari 2017 (bestreden besluit 2) een bedrag aan wettelijke rente aan betrokkene toegekend. Het zorgkantoor heeft hieraan ten grondslag gelegd dat ingevolge artikel 4:102, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de wettelijke rente is verschuldigd vanaf 30 januari 2014.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraken het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat het zorgkantoor aan appellanten een bedrag voor meerzorg voor de periode van 30 juni 2011 tot en met 31 december 2013 betaalt, bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit 1, het zorgkantoor veroordeeld tot het vergoeden van wettelijke rente en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, voor zover van belang, overwogen dat de aanvraag om meerzorg op 23 oktober 2013 door het zorgkantoor is ontvangen. De beslistermijn bedroeg acht weken te rekenen vanaf de dag van ontvangst van de aanvraag. De betalingstermijn bedroeg zes weken. Dit betekent dat ingevolge artikel 4:102, tweede lid, van de Awb de wettelijke rente op 30 januari 2014 is gaan lopen. Dat betrokkene eerder een dergelijke aanvraag bij CIZ heeft ingediend, dan wel dat namens betrokkene eerder bij het zorgkantoor informatie is ingewonnen, betekent niet dat van een eerdere datum moet worden uitgegaan. Het zorgkantoor heeft terecht de wettelijke rente vanaf 30 januari 2014 berekend.

3. Appellanten hebben zich tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Zij zijn het niet eens met de ingangsdatum van de wettelijke rente. Appellanten hebben zich primair op het standpunt gesteld dat het verzuim is ingetreden op 11 augustus 2011, zodat de wettelijke rente vanaf die datum berekend moet worden. Betrokkene heeft namelijk op 5 mei 2011 onder meer een aanvraag voor meerzorg bij CIZ ingediend. CIZ heeft nagelaten hierop binnen acht weken te beslissen en vervolgens binnen zes weken tot betaling over te gaan. Appellanten hebben zich subsidiair op het standpunt gesteld dat betrokkene niet eerder dan 23 oktober 2013 de meerzorg kon aanvragen. Dit mag niet voor rekening en risico van betrokkene blijven. Bij de e-mail van 18 juli 2013 heeft betrokkene het zorgkantoor ervan proberen te overtuigen dat het een aanvraag voor meerzorg in behandeling zou nemen, zodat voor de aanvraagdatum moet worden aangesloten bij deze datum. Dit betekent dat het verzuim al op 24 oktober 2013 is ingetreden en de wettelijke rente vanaf die datum verschuldigd zou moeten zijn.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil de vraag vanaf welke datum het zorgkantoor in verzuim zou zijn geweest als bedoeld in artikel 4:102, tweede lid, van de Awb.

4.2.1.

Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

4.2.2.

Ingevolge artikel 4:1 van de Awb wordt de aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.

4.2.3.

Ingevolge artikel 4:102, tweede lid, van de Awb is, indien een afwijzende beschikking tot betaling door het bestuursorgaan als gevolg van bezwaar of beroep wordt vervangen door een beschikking tot betaling, het bestuursorgaan wettelijke rente verschuldigd vanaf het tijdstip waarop het in verzuim zou zijn geweest indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn gegeven.

4.3.1.

De Raad volgt appellanten niet in hun betoog dat moet worden uitgegaan van de aanvraagdatum van 5 mei 2011. Betrokkene heeft namelijk op die datum geen aanvraag ingediend bij het zorgkantoor. Nog los van de vraag of in de brief van 5 mei 2011 is verzocht om meerzorg, is het verzoek een besluit te nemen over haar aanspraak op AWBZ-zorg gericht aan CIZ. Dat CIZ kennelijk niet heeft beslist over haar aanspraak op meerzorg, maakt niet dat het zorgkantoor als gevolg hiervan in verzuim zou zijn geweest als bedoeld in artikel 4:102, tweede lid, van de Awb. Daar komt bij dat betrokkene een procedure heeft gevoerd over het besluit dat CIZ heeft genomen op de aanvraag van 5 mei 2011. Voor zover betrokkene van mening was dat CIZ ten onrechte niet heeft beslist over haar aanspraak op meerzorg en als gevolg daarvan in verzuim was, had zij dit betoog in die procedure kunnen aanvoeren.

4.3.2.

De Raad volgt appellanten evenmin in hun betoog dat moet worden uitgegaan van een aanvraagdatum van 18 juli 2013. Betrokkene heeft in de e-mail van 18 juli 2013 het zorgkantoor namelijk niet verzocht een besluit te nemen over haar aanspraak op meerzorg. Betrokkene heeft in deze e-mail slechts aangekondigd dat zij hiervoor een aanvraag zal indienen. Dit betekent dat het zorgkantoor niet vanaf 18 juli 2013 gehouden was een besluit te nemen en de beslistermijn dus ook niet vanaf die datum is gaan lopen.

4.3.3.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het zorgkantoor bij de toepassing van artikel 4:102, tweede lid, van de Awb heeft mogen uitgaan van de ontvangst van de aanvraag voor meerzorg op 23 oktober 2013. Eerst op die datum heeft betrokkene zich tot het zorgkantoor gewend met het verzoek een besluit te nemen over haar aanspraak op meerzorg.

4.4.

Uit wat is overwogen in 4.2.1 tot en met 4.3.3 volgt dat de hoger beroepen niet slagen en dat de aangevallen uitspraken, voor zover aangevochten, moeten worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

  • -

    bevestigt aangevallen uitspraak 1 voor zover aangevochten;

  • -

    bevestigt aangevallen uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en R.E. Bakker en
D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van M. Stumpel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2021.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) M. Stumpel