Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1049

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2021
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
21/22 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald. Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden. Bij brief van 13 januari 2021 is aan de gemachtigde van appellant verzocht binnen vier weken een schriftelijke machtiging ter gelegenheid van de hoger beroepsprocedure als bedoeld in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb in te zenden. Ten aanzien van de hiervoor genoemde onderwerpen kan op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 29 april 2021

21/22 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

12 november 2020, 19/4791 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.F. de Rooy, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Bij brief van 6 januari 2021 is de gemachtigde van appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 134,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.

Bij aangetekende brief van 6 februari 2021 is de gemachtigde van appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief dient te zijn bijgeschreven op de in die brief genoemde bankrekening dan wel contant moet zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het procedure niet inhoudelijk behandeld zal worden.

Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.

Voorts is in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb, bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:24 van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden.

Bij brief van 13 januari 2021 is de gemachtigde van appellant in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.

Bij e-mailbericht van 1 februari 2021 heeft gemachtigde van appellant verzocht om uitstel voor het indienen van de gronden.

Bij brief van 1 februari 2021 is gemachtigde van appellant een termijn van twee weken gegeven voor het indienen van de gronden.

De gemachtigde van appellant heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.

Bij aangetekende brief van 1 maart 2021 is aan de gemachtigde van appellant nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is de gemachtigde van appellante erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg zal hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.

De gemachtigde van appellant heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.

Bij brief van 13 januari 2021 is aan de gemachtigde van appellant verzocht binnen vier weken een schriftelijke machtiging ter gelegenheid van de hoger beroepsprocedure als bedoeld in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb in te zenden. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Bij e-mailbericht van 1 februari 2021 heeft gemachtigde van appellant verzocht om uitstel voor het indienen van de machtiging.

Bij brief van 1 februari 2021 is gemachtigde van appellant een termijn van twee weken gegeven voor het indienen van de machtiging.

Bij aangetekende brief van 1 maart 2021 is de gemachtigde van appellant nogmaals de gelegenheid geboden de schriftelijke machtiging in te zenden. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is de gemachtigde van appellante erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg kan hebben dat (hoger) beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

De gemachtigde van appellant heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.

Ten aanzien van de hiervoor genoemde onderwerpen kan op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van H. Alajai als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2021.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) H. Alajai

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.