Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1047

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
19/4074 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Uitgangspunt is dat een verzoek om herziening van een uitspraak waarmee is beslist op een eerder herzieningsverzoek wordt aangemerkt als een verzoek om herziening van de oorspronkelijke uitspraak. Er is geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Dat betekent dat het verzoek om herziening wordt aangemerkt als een verzoek om herziening van uitspraak 1. De zaak van verzoeker heeft geen betrekking op een uitspraak over een bestuurlijke boete. Het verzoek om herziening van 3 september 2019 is uitsluitend gesteld dat verzoeker invalide is en medische behandeling ondergaat. Afgezien van het feit dat dit geen feiten of omstandigheden zijn als hiervoor bedoeld, is het verzoek om herziening meer dan een jaar na de datum van de oorspronkelijke uitspraak van 4 november 2016 (uitspraak 1) ingediend. Daarom moet worden geoordeeld dat het verzoek om herziening onredelijk laat is ingediend. Gelet hierop moet het voorliggende herzieningsverzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4074 WAO

Datum uitspraak: 21 april 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 4 november 2016, 15/5336 WAO

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats], Marokko (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft zijn echtgenote [naam echtgenote] bij brief van 3 september 2019 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 31 juli 2019, 15/5336 WAO, ECLI:NL:CRVB:2019:2535.

Het Uwv heeft een reactie op dit verzoek om herziening ingezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de Raad op 7 april 2021. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Verzoeker heeft op 31 januari 2011 vanuit Marokko een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aangevraagd in verband met sinds 1994 bestaande arbeidsongeschiktheid. Deze aanvraag is door het Uwv onder toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld, omdat appellant niet de voor de beoordeling noodzakelijke informatie heeft verstrekt.

1.2.

Bij uitspraak van 4 november 2016, 15/5336 WAO, ECLI:NL:CRVB:2016:4323 (uitspraak 1), heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van Amsterdam van 9 juni 2015, 14/7440, bevestigd. De Raad heeft het oordeel van de rechtbank onderschreven dat het Uwv niet over voldoende gegevens en bescheiden beschikte om tot behandeling en beoordeling van de aanvraag van verzoeker over te gaan en dat het Uwv terecht gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid de aanvraag van verzoeker buiten behandeling te laten.

1.3.

Bij uitspraak van 31 januari 2018, 16/7883 WAO, ECLI:NL:CRVB:2018:312 (uitspraak 2), heeft de Raad het verzoek om herziening van uitspraak 1 afgewezen, omdat namens verzoeker geen feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb op grond waarvan een onherroepelijk geworden uitspraak kan worden herzien.

1.4.

Bij uitspraak van 31 juli 2019, 18/2539 WAO, ECLI:NL:CRVB:2019:2535 (uitspraak 3) heeft de Raad het verzoek om herziening opnieuw afgewezen.

1.5.

Op 3 september 2019 heeft verzoeker, onder overlegging van uitspraak 3, opnieuw een verzoek om herziening ingediend.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Op grond van artikel 8:119 van de Awb kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.2.

Uitgangspunt is dat een verzoek om herziening van een uitspraak waarmee is beslist op een eerder herzieningsverzoek wordt aangemerkt als een verzoek om herziening van de oorspronkelijke uitspraak. Er is geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Dat betekent dat het verzoek om herziening wordt aangemerkt als een verzoek om herziening van uitspraak 1.

2.3.

Gelet op de uitspraken van de Raad van 20 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1055, en van 21 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4060, moet in het belang van de rechtseenheid voorop worden gesteld, dat van degene die om herziening vraagt van een uitspraak mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend herzieningsverzoek moet niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.4.

Een verzoek om herziening wordt in de regel geacht onredelijk laat te zijn ingediend, indien het verzoek is ingediend meer dan een jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nieuwe feiten en omstandigheden (nova) dan wel, indien geen nova zijn gesteld, als het is ingediend meer dan een jaar na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht.

2.5.

De hiervoor in 2.4 geformuleerde regel geldt niet voor het indienen van een verzoek om herziening van een uitspraak over een bestuurlijke boete. Een dergelijk verzoek is niet aan de in 2.4. vermelde termijn van één jaar gebonden. De zaak van verzoeker heeft echter geen betrekking op een uitspraak over een bestuurlijke boete.

2.6.

In het verzoek om herziening van 3 september 2019 is uitsluitend gesteld dat verzoeker invalide is en medische behandeling ondergaat. Afgezien van het feit dat dit geen feiten of omstandigheden zijn als bedoeld in overweging 2.1, is het verzoek om herziening meer dan een jaar na de datum van de oorspronkelijke uitspraak van 4 november 2016 (uitspraak 1) ingediend. Daarom moet worden geoordeeld dat het verzoek om herziening onredelijk laat is ingediend.

2.6.

Gelet op 2.1 tot en met 2.6 moet het voorliggende herzieningsverzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.

3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van

M. Géron als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2021.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) M. Géron

DÉCISION

La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale) déclare la demande non-recevable.

Par conséquent, décidée par A.I. van der Kris en présence de M. Géron en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 21 avril 2021.