Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1044

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
20/2041 ABP
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft zich terecht onbevoegd verklaard om van het beroep van appellant tegen de brief van het ABP, waarin aan appellant is meegedeeld dat zijn bezwaar tegen de betaalspecificatie niet in behandeling wordt genomen, kennis te nemen.

Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld, onder meer in de uitspraken, ECLI:NL:CRVB:2016:257, en ECLI:NL:CRVB:2017:3399, komt aan de Stichting Pensioenfonds ABP in kwesties als deze geen openbaar gezag toe als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Dit betekent dat de betaalspecificatie van januari 2019, noch de reactie van 23 april 2019 als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb kunnen worden aangemerkt. In procedures tussen appellant en de Stichting Pensioenfonds ABP bij de civiele rechter, is ook gebleken dat die rechter deze kwestie tot zijn bevoegdheid rekent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/341
NJB 2021/1530
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 2041 ABP

Datum uitspraak: 7 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 april 2020, 19/2816 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP (bestuur)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2021. Appellant is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.M.L. Bouchoms.

OVERWEGINGEN

1. Bij betaalspecificatie van zijn militair pensioen over de maand januari 2019 is appellant er onder meer over geïnformeerd dat dit pensioen per 1 januari 2019 niet wordt verhoogd, omdat de financiële positie van het ABP niet voldoende is om de pensioenen te kunnen indexeren. Appellant heeft tegen deze mededeling bezwaar gemaakt. Bij brief van 23 april 2019 is aan appellant meegedeeld dat zijn bezwaar niet in behandeling wordt genomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het tegen de brief van 23 april 2019 gerichte beroep kennis te nemen.

3. Appellant stelt dat de Stichting Pensioenfonds ABP in deze zaak is te beschouwen als

een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit maakt dat de onder 1 weergegeven berichten besluiten zijn in de zin van artikel 1:3 van de Awb en dat de bestuursrechter bevoegd is om hiervan kennis te nemen. Ter onderbouwing hiervan heeft appellant gewezen op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3394, en een uitspraak van de Raad van 15 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2554.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld, onder meer in de uitspraken van 21 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:257, en van 5 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3399, komt aan de Stichting Pensioenfonds ABP in kwesties als deze geen openbaar gezag toe als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Dit betekent dat de betaalspecificatie van januari 2019, noch de reactie van 23 april 2019 als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb kunnen worden aangemerkt. In procedures tussen appellant en de Stichting Pensioenfonds ABP bij de civiele rechter, is ook gebleken dat die rechter deze kwestie tot zijn bevoegdheid rekent. De Raad verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg van 6 augustus 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:7088, en het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 3 november 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4436. Een en ander wordt niet anders door de door appellant aangehaalde uitspraken van de Afdeling van 17 september 2014 en van de Raad van 15 augustus 2018, reeds omdat het in die uitspraken gaat om een andere privaatrechtelijke rechtspersoon dan het ABP.

4.2.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard om van het beroep van appellant kennis te nemen. De aangevallen uitspraak komt dus voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van B.H.B. Verheul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2021.

(getekend) H. Lagas

(getekend) B.H.B. Verheul