Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1038

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-05-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
17/7709 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante heeft voldoende mogelijkheid gehad om tegenbewijs in te brengen en heeft van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt. Het oordeel van de rechtbank dat geen aanleiding is te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, wordt gevolgd. De door de artsen van het Uwv verrichte beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie van appellante, waarbij de ervaren belemmeringen zijn getoetst op plausibiliteit en consistentie, is zorgvuldig en afdoende gemotiveerd. De arbeidsdeskundige heeft in de bevindingen van de verzekeringsarts geen aanleiding gezien voor twijfel aan de aanwezigheid van basale werknemersvaardigheden bij appellante. Uit de medische beoordeling is niet gebleken van een noodzaak tot ondersteuning en begeleiding bij het verrichten van de voorbeeldtaak. Wat appellante in hoger beroep onder verwijzing naar de medische informatie van cardiologen Visser en Van Campen heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7709 WAJONG

Datum uitspraak: 3 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 oktober 2017, 17/1058 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.E. Eshuis hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft daarop gereageerd. Appellante heeft nog een reactie ingezonden.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellante, geboren op [geboortedatum] 1988, is in verband met vermoeidheidsklachten met ingang van 23 juni 2006 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998) toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2.

Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) in werking getreden. Appellante heeft desgevraagd een vragenlijst Wajong ingevuld in verband met een beoordeling van haar arbeidsvermogen. Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 20 april 2016 en arbeidskundig onderzoek op

16 juni 2016 heeft het Uwv bij besluit van 20 juni 2016 vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan haar Wajong-uitkering met ingang van 1 januari 2018 zal worden verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het Uwv heeft dit bezwaar bij besluit van 13 januari 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek van het Uwv zorgvuldig is geweest. In de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten is inzichtelijk en begrijpelijk gemotiveerd dat appellante arbeidsvermogen heeft. Appellante heeft haar stellingen niet onderbouwd met medische informatie of andere stukken, terwijl zij hiertoe verschillende mogelijkheden heeft, waaronder het overleggen van medische gegevens of het zelf inschakelen van een deskundige. Er is niet gebleken van concrete feiten of omstandigheden waaruit (een reële vrees voor) afhankelijkheid en partijdigheid van de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) blijkt. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien voor inschakeling van een onafhankelijk deskundige, specialist op het gebied van CVS/ME. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv terecht heeft besloten de Wajong-uitkering van appellante met ingang van 1 januari 2018 te verlagen naar 70% van het minimumloon.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen onafhankelijk deskundige heeft ingeschakeld, omdat de verzekeringsartsen van het Uwv geen specialist zijn op het gebied van CVS/ME. Door het Uwv is ten onrechte niet onderkend dat CVS een ernstig invaliderende ziekte is. Appellante wijst daarbij op het standpunt van de Gezondheidsraad, een rapport van cardioloog F.C. Visser van 25 juni 2020 van Stichting Cardiozorg waaruit volgt dat appellante aan een ernstige vorm van CVS/ME lijdt en naar wetenschappelijke artikelen van onder meer cardioloog C.M.C. van Campen, eveneens verbonden aan de Stichting Cardiozorg. Appellante heeft aangevoerd dat zij niet zelfredzaam is en niet in staat is om op tijd op het werk te komen. Zij heeft daarbij ondersteuning nodig en er moet rekening worden gehouden met de reistijd. Geen enkele ondernemer accepteert dat een werknemer voor één deeltaakje komt werken, en dan ook nog met ondersteuning en begeleiding.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Wettelijk kader

4.1.1.

Op 1 januari 2015 is artikel III, met uitzondering van de onderdelen J, K, L en N, van de Invoeringswet Participatiewet (Staatsblad 2014, 270 en 271) in werking getreden. Per

1 januari 2015 is ook het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) aangepast (Besluit van 8 oktober 2014, Stb. 2014, 359). Op grond van artikel III, onderdeel O, van de Invoeringswet Participatiewet is artikel 3:8a aan de Wajong toegevoegd. Op grond van artikel III, onderdeel P, van de Invoeringswet Participatiewet is artikel 8:10b aan de Wajong toegevoegd.

4.1.2.

Op grond van artikel 8:10b, eerste lid, van de Wajong stelt het Uwv vast of de jonggehandicapte met een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in artikel 3:8 van de Wajong 2015.

4.1.3.

Artikel 3:8, eerste lid, van de Wajong bepaalt dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering per dag, de zaterdagen en zondagen niet meegerekend, bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, 75% van de grondslag bedraagt.

4.1.4.

Op 1 januari 2018 is artikel III, onderdeel N, van de Invoeringswet Participatiewet (Staatsblad 2014, 270 en 271) in werking getreden. Dit artikel bepaalt dat in artikel 3:8, eerste lid, van de Wajong ‘75%’ wordt vervangen door: ‘70%’.

4.1.5.

Op grond van artikel 3:8a, eerste lid, van de Wajong bedraagt in afwijking van

artikel 3:8, eerste lid, van de Wajong, de arbeidsongeschiktheidsuitkering per dag bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, 75% van de grondslag, indien de jonggehandicapte duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan de situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

4.1.6.

Voorgaande wetsbepalingen hebben tot gevolg dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de jonggehandicapte, met een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer en die wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon.

Mogelijkheden tot arbeidsparticipatie

4.2.

Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van één uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of bij een betrokkene sprake is van (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. Is dat het geval, dan heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Voor een meer algemene beschrijving van het beoordelingskader wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van

5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018.

4.3.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, zaaknummer 77212/12, Korošec) in het geval van appellante niet noodzaakt tot inschakeling van een onafhankelijke deskundige. Appellante heeft voldoende mogelijkheid gehad om tegenbewijs in te brengen en heeft van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank dat geen aanleiding is te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, wordt gevolgd. De door de artsen van het Uwv verrichte beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie van appellante, waarbij de ervaren belemmeringen zijn getoetst op plausibiliteit en consistentie, is zorgvuldig en afdoende gemotiveerd. Een arts van het Uwv heeft na medisch onderzoek en op basis van het dagverhaal van appellante vastgesteld dat sprake is van fysieke en energetische beperkingen waarbij extra recuperatietijd tussendoor gewenst is. Gelet op het feit dat appellante meerdere uren per dag actief is, waarbij zij tussen de taken door korte rustpauzes neemt en zij zelfstandig zorg draagt voor het huishouden dat zij verdeelt over de week, wordt appellante ten minste vier uur per dag belastbaar geacht en kan zij gedurende ten minste een periode van een uur aaneengesloten werken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft die conclusie onderschreven. De arbeidsdeskundige heeft in de bevindingen van de verzekeringsarts geen aanleiding gezien voor twijfel aan de aanwezigheid van basale werknemersvaardigheden bij appellante. Appellante wordt in staat geacht tot het uitvoeren van (onder meer) de taak ‘scannen’. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de geschiktheid voor deze taak onderschreven. Daarbij is aangegeven dat de noodzaak van recuperatie in een qua belasting passende voorbeeldtaak minder zal zijn dan in werkzaamheden waarin appellante zal worden overvraagd. De voorbeeldtaak ‘scannen’ wordt overwegend zittend uitgevoerd en kent een zeer beperkte fysieke en mentale belasting. Het werk mag in een vertraagd handelingstempo worden uitgevoerd. Tevens is bij deze taak recuperatie tussen de gewerkte uren door mogelijk. Uit de medische beoordeling is niet gebleken van een noodzaak tot ondersteuning en begeleiding bij het verrichten van de voorbeeldtaak.

4.5.

Wat appellante in hoger beroep onder verwijzing naar de medische informatie van cardiologen Visser en Van Campen heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. Het Uwv heeft met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 juli 2020 overtuigend toegelicht dat het onderzoek door cardioloog Visser heeft plaatsgevonden in 2020 en dit onderzoek een beeld geeft van de actuele situatie op de onderzoeksdatum, maar niet van de medische problematiek die speelde op 20 april 2016 of

1 januari 2018. Omdat appellante aangeeft dat de klachten en beperkingen die zij ervaart in de loop der jaren zijn toegenomen is het volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep aannemelijk dat er op de datum dat het onderzoek van cardioloog Visser plaatsvond in 2020, sprake was van een gewijzigde medische situatie ten opzichte van 20 april 2016 of 1 januari 2018. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarnaast afdoende toegelicht dat het in hoger beroep genoemde rapport van de Gezondheidsraad evenmin tot meer beperkingen leidt. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1734) is een verwijzing naar het advies van de Gezondheidsraad ME/CVS van 19 maart 2018 (Gezondheidsraad, 2018; publicatienr. 2018/07) onvoldoende om bij een betrokkene meer en verdergaande beperkingen aangewezen te achten, omdat dit advies van algemene aard is en niet ingaat op de situatie van de individuele betrokkene.

4.6.

Wat in 4.3, 4.4 en 4.5 is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van V.M. Candelaria als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2021.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) V.M. Candelaria