Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1035

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2021
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
19/1381 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft niet aangetoond dat appellant in de periode van mei 2012 tot december 2015 rekening had moeten houden met een nabetaling over het loon, waarover appellant en werkgever in 2012 overeenstemming hadden bereikt. Aan de door het Uwv in hoger beroep ingediende stukken uit 2015 kan niet de betekenis worden gegeven die het Uwv wenst. Het Uwv heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het appellant voorafgaand aan 22 december 2015 redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat aan hem een te hoog bedrag aan uitkering werd verstrekt. Het hoger beroep van appellant slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en zal de zeven primaire besluiten van 27 oktober 2017 herroepen. Gelet op dit oordeel zal het verzoek om schadevergoeding worden toegewezen. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1381 WIA

Datum uitspraak: 29 april 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

14 februari 2019, 18/2214 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.J. Bek hoger beroep ingesteld en verzocht het Uwv te veroordelen in vergoeding van schade.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 18 maart 2021. Namens appellant is mr. Bek verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1.1.

Met ingang van 3 april 2011 heeft het Uwv aan appellant een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 64,61%. Appellant is daarnaast per 7 mei 2012 in passend werk bij [ex-werkgever] B.V. (ex-werkgever) gaan werken. Met ingang van 3 juni 2013 is de loongerelateerde WGA-uitkering omgezet naar een WGA-loonaanvullingsuitkering. Het dienstverband van appellant is op 27 november 2015 beëindigd.

1.2.

Op 11 oktober 2017 heeft de ex-werkgever aan het Uwv gemeld dat een nabetaling van loon over de periode 1 mei 2012 tot 1 december 2015 aan appellant heeft plaatsgevonden, die in september 2017 is verwerkt door de Belastingdienst, en dat appellant daardoor een te hoge WIA-uitkering heeft ontvangen.

1.3.

Bij besluit van 27 oktober 2017 heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellant over de periode van 1 mei 2012 tot en met 31 december 2012 herzien en de aan appellant over die periode te veel betaalde uitkering van hem teruggevorderd tot een bedrag van € 3.562,89.

1.4.

Bij besluit van 27 oktober 2017 heeft het Uwv de WIA-uitkering over de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013 herzien en de aan appellant over die periode te veel betaalde uitkering van hem teruggevorderd tot een bedrag van € 3.168,33.

1.5.

Bij besluit van 27 oktober 2017 heeft het Uwv de WIA-uitkering over de periode van 1 juli 2013 tot en met 31 december 2013 herzien en de aan appellant over die periode te veel betaalde uitkering van hem teruggevorderd tot een bedrag van € 2.505,82.

1.6.

Bij besluit van 27 oktober 2017 heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellant over de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2014 herzien en de aan appellant over die periode te veel betaalde uitkering van hem teruggevorderd tot een bedrag van € 2.065,85.

1.7.

Bij besluit van 27 oktober 2017 heeft het Uwv de WIA-uitkering over de periode van 1 juli 2014 tot en met 31 december 2014 herzien en de aan appellant over die periode te veel betaalde uitkering van hem teruggevorderd tot een bedrag van € 1.802,43.

1.8.

Bij besluit van 27 oktober 2017 heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellant over de periode van 1 januari 2015 tot en met 30 juni 2015 herzien en de aan appellant over die periode te veel betaalde uitkering van hem teruggevorderd tot een bedrag van € 2.261,33.

1.9.

Bij besluit van 27 oktober 2017 heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellant over de periode van 1 juli 2015 tot en met 30 november 2015 herzien en de aan appellant over die periode te veel betaalde uitkering van hem teruggevorderd tot een bedrag van € 369,61.

1.10.

Het bezwaar van appellant tegen de zeven besluiten van 27 oktober 2017 heeft het Uwv bij besluit van 28 februari 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en beslissingen gegeven over proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft overwogen dat uit de door het Uwv overgelegde brieven naar voren komt dat appellant op meerdere momenten bekend kon zijn met de mogelijkheid dat er nog correcties op zijn loon zouden kunnen worden doorgevoerd. Ook uit de door appellant overgelegde brief van [naam], loonadministrateur van de ex-werkgever, van

15 augustus 2012 komt volgens de rechtbank naar voren dat er nog correcties in een volgende periode zullen volgen. Uit de door partijen overgelegde informatie blijkt niet dat deze correcties op enig moment definitief zijn geworden. Het had appellant daarom redelijkerwijs duidelijk moeten of kunnen zijn dat er nog correcties plaats zouden kunnen vinden. Het Uwv heeft de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (Beleidsregels) dan ook voor de periode van 1 mei 2012 tot en met 30 november 2015 mogen toepassen. Niet is gebleken van dringende redenen, omdat appellant de terugvordering al heeft voldaan. Daarom kon het Uwv de WIA-uitkering met terugwerkende kracht herzien.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv niet tot herziening en terugvordering van de uitkering mocht overgaan, omdat het appellant pas vanaf december 2015, dat wil zeggen na de periode waarover de uitkering is herzien en teruggevorderd, redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij te veel uitkering ontving. Appellant is van mening dat uit de door het Uwv ingediende stukken niet kan worden afgeleid dat hij er eerder rekening mee moest houden dat zijn loon vanaf 7 mei 2012 nog gecorrigeerd zou kunnen worden, met als mogelijk gevolg dat hij te veel uitkering zou hebben ontvangen. Appellant is pas bij email van 22 december 2015 door de ex-werkgever op de hoogte gesteld dat een nabetaling van loon over de periode medio 2012 tot en met eind 2015 zou volgen. Herziening en terugvordering met terugwerkende kracht voor 22 december 2015 is daarom volgens appellant in strijd met artikel 3, derde lid van de Beleidsregels. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft appellant verwezen naar de door hem overgelegde informatie.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

Op grond van artikel 76, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet WIA herziet het Uwv beschikkingen op grond van deze wet of trekt het dergelijke beschikkingen in indien:

(…)

c. anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

4.1.2.

Op grond van artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA wordt een uitkering die op grond van deze wet alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 76 door het Uwv onverschuldigd is betaald of verstrekt door het Uwv teruggevorderd.

4.1.3.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 21 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3712) is intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In uitzonderingsgevallen is van strijd met dit beginsel geen sprake.

4.1.4.

In artikel 3, derde lid, van de Beleidsregels, is bepaald: indien het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt, wordt de uitkering ingetrokken of herzien met terugwerkende kracht tot en met de dag waarop het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt.

4.1.5.

Bij een belastend besluit als hier aan de orde is het aan het bestuursorgaan om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt in dit geval mee dat het Uwv feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hem een te hoog bedrag aan uitkering werd verstrekt.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of het appellant vóór 22 december 2015 redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat aan hem een te hoog bedrag aan WIA-uitkering werd verstrekt.

4.3.

Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat uit correspondentie tussen appellant en de ex-werkgever uit 2011 en 2012 blijkt dat in die jaren onduidelijkheid bestond over de hoogte van het SV-loon van appellant en dat sprake was van loonbestanddelen die appellant nog niet had ontvangen. Dat is op zichzelf juist, maar niet is gebleken dat een verband bestaat tussen de inhoud van deze correspondentie en de nabetaling door de ex-werkgever in september 2017 . Uit het dossier komt naar voren dat appellant en zijn ex-werkgever, toen hij in mei 2012 weer startte in passend werk, het eens moesten worden over het te betalen loon over de periode tot mei 2012. Uit de brief van 15 augustus 2012 van de ex-werkgever aan appellant, waarin de nieuwe loonwaarde van appellant per 7 mei 2012 is vermeld, blijkt niet dat over het loon van appellant vanaf mei 2012 nog onduidelijkheid of discussie bestaat. Ook uit de in het dossier aanwezige e-mails en brieven die zijn gewisseld tussen (de gemachtigden van) appellant en de ex-werkgever blijkt dat het geschil over mogelijke correcties zag op loon en eventuele vergoedingen over de periode 2011 tot mei 2012. Uit die correspondentie blijkt dat appellant en zijn ex-werkgever het in 2012 eens waren over de verloning vanaf mei 2012. Het Uwv heeft niet aangetoond dat appellant in de periode van mei 2012 tot december 2015 rekening had moeten houden met een nabetaling over het loon, waarover appellant en werkgever in 2012 overeenstemming hadden bereikt.

4.4.

Aan de door het Uwv in hoger beroep ingediende stukken uit 2015 kan niet de betekenis worden gegeven die het Uwv wenst. In de aanvraag Werkloosheidswet (WW) van 27 oktober 2015 heeft appellant vermeld dat hij door zijn ex-werkgever voor maar 60% is betaald en dat hij dit aan de vakbond heeft voorgelegd, omdat het al drie jaar zo gaat. Appellant heeft op het wijzigingsformulier WIA van 4 november 2015 gemeld dat de ex-werkgever drie jaar lang 60% van het loon heeft betaald. Geoordeeld wordt dat deze opmerkingen van appellant in genoemde stukken te algemeen zijn om daaruit af te leiden dat appellant op dat moment en in de jaren daarvoor al wist of hem redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat nog een nabetaling van de ex-werkgever zou volgen. Bovendien blijkt uit het dossier niet of de nabetaling door de ex-werkgever uiteindelijk op de in genoemde stukken vermelde grond is gedaan. In de door appellant ingezonden e-mail van 22 december 2015 van de ex-werkgever aan appellant is aan hem gemeld dat hij uit dienst is gemeld, dat een eindafrekening is bijgevoegd en dat nog een nabetaling volgt, zijnde de correctie over de periode medio 2012 tot en met periode 12 van 2015. De ex-werkgever heeft in deze e-mail vermeld dat er helaas al die jaren ergens iets niet goed is gegaan. Wat daarmee wordt bedoeld, is in deze procedure niet duidelijk geworden. De gemachtigde van appellant heeft ter zitting betwist dat appellant eerder van die correctie op de hoogte was. Gelet op deze e-mail kon het appellant toen redelijkerwijs duidelijk zijn dat een nabetaling zou volgen die van invloed kon zijn op zijn uitkering. Het Uwv heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het appellant voorafgaand aan 22 december 2015 redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat aan hem een te hoog bedrag aan uitkering werd verstrekt.

4.5.

Wat is overwogen in 4.3 en 4.4. leidt tot de conclusie dat hier geen sprake is van een uitzonderingsgeval zoals vermeld in 4.1.3. Omdat het appellant voor december 2015 redelijkerwijs niet duidelijk had kunnen zijn dat hij te veel uitkering ontving, is herziening en terugvordering tot vóór die datum in strijd met artikel 3, derde lid, van de Beleidsregels. Het Uwv was niet bevoegd om de WIA-uitkering van appellant met terugwerkende kracht te herzien. Hiermee komt de grondslag van de terugvordering te vervallen.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en zal de zeven primaire besluiten van 27 oktober 2017 herroepen.

4.7.

Gelet op dit oordeel zal het verzoek om schadevergoeding worden toegewezen. Het ten onrechte teruggevorderde bedrag van in totaal € 15.736,26 bruto is door appellant aan het Uwv betaald. Op grond van artikel 4:102, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is de wettelijke rente over dit bedrag op de datum dat door appellant aan het Uwv is betaald, gaan lopen. Telkens na afloop van een jaar dient het bedrag waarover de rente wordt berekend te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. De wettelijke rente loopt tot de dag van de algehele voldoening.

5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.068,- (hoger beroepschrift en zitting) voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak, behalve de beslissingen over proceskosten en griffierecht;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 28 februari 2018;

  • -

    herroept de besluiten van 27 oktober 2017 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 28 februari 2018;

  • -

    veroordeelt het Uwv tot vergoeding aan appellant van de schade zoals onder 4.7 van deze uitspraak is vermeld;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.068,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 128,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en M.E. Fortuin en

W.R. van der Velde als leden, in tegenwoordigheid van V.M. Candelaria als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2021.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) V.M. Candelaria