Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1026

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
18/3280 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek ex-werkgever over besluit toekenning ziekengeld. Niet binnen redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3280 ZW, 18/3557 ZW

Datum uitspraak: 4 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

18 mei 2018, 17/3419 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[belanghebbende] Collective Freelance & Flex B.V. te [vestigingsplaats] (belanghebbende)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C.S. Grégoire, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft eveneens hoger beroep ingesteld.

Partijen hebben verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2021. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos. Belanghebbende is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Appellante is vanaf 17 oktober 2011 werkzaam geweest bij belanghebbende ( [belanghebbende] ). Op 8 december 2012 heeft appellante zich ziek gemeld. Bij beslissing op bezwaar van 11 september 2014 heeft het Uwv de hersteldverklaring per 28 oktober 2013 herroepen en appellante per die datum ongeschikt geacht voor haar maatstaf arbeid. [belanghebbende] heeft tegen dat besluit beroep en hoger beroep ingesteld. Op 12 juli 2017 heeft de Raad uitspraak gedaan in dit geschil (ECLI:NL:CRVB:2017:2465). Vooruitlopend op die uitspraak heeft [belanghebbende] bij brief van 21 oktober 2016 het Uwv verzocht om een beslissing te nemen over de toekenning van de uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) aan appellante per 8 december 2012 en ook om een beslissing te nemen over de toerekening van die ZW-uitkering aan [belanghebbende] als eigenrisicodrager voor de ZW. [belanghebbende] stelt zich op het standpunt dat appellante al arbeidsongeschikt was voordat zij bij [belanghebbende] in dienst trad. Bij besluit van 5 december 2016 heeft het Uwv te kennen gegeven dat het verzoek van [belanghebbende] niet binnen een redelijke termijn is gedaan en dat daarom niet aan het verzoek kan worden voldaan. Het daartegen door [belanghebbende] gemaakte bezwaar is bij besluit van 26 april 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [belanghebbende] tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het besluit vernietigd, het Uwv opgedragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht gegeven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de vraag of er sprake is van overschrijding van een redelijke termijn voor het doen van het verzoek beoordeeld dient te worden op basis van de omstandigheden van het geval. Volgens de rechtbank dient in de zaak van [belanghebbende] rekening te worden gehouden met het feit dat in artikel 52c, eerste lid, van de ZW geen expliciete wettelijke grondslag is opgenomen voor het indienen van een verzoek van een werkgever die eigenrisicodrager is om een besluit te krijgen over de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van een (ex-)werknemer. Volgens de rechtbank kon het voor [belanghebbende] pas vanaf de uitspraak van de Raad van 12 juli 2017 duidelijk zijn op welke wijze zij een verzoek bij het Uwv kon indienen. Want in die uitspraak heeft de Raad – onder verwijzing naar artikel 52c, eerste en tweede lid, van de ZW – overwogen dat de ZW in een systeem voorziet waaruit kan worden afgeleid dat, wanneer een werkgever achteraf aan de juistheid van een aan het Uwv opgegeven eerste arbeidsongeschiktheidsdag twijfelt en bijvoorbeeld behoefte heeft aan een besluit waarbij de einddatum van betaling van ziekengeld wordt vastgelegd op een datum die ligt voor afloop van een termijn van 104 weken na de ziekmelding van een werknemer, hij het Uwv daarom binnen een redelijke termijn kan vragen. De rechtbank heeft geoordeeld dat, omdat [belanghebbende] al in de procedure die heeft geleid tot meergenoemde uitspraak van de Raad de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van appellante aan de orde heeft willen stellen, dat voor het Uwv aanleiding had moeten zijn om het verzoek van [belanghebbende] inhoudelijk in behandeling te nemen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat vaststaat dat de rechtszekerheid van appellante hierbij niet in het geding is. Volgens de rechtbank is ook bij een wat langere termijn het belang van het Uwv niet geschaad, omdat uit de uitspraak van de Raad volgt dat het aan [belanghebbende] is om het bewijs van een eerdere datum van het intreden van de arbeidsongeschiktheid aan te dragen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [belanghebbende] niet binnen een redelijke termijn om de beslissingen heeft verzocht.

3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat [belanghebbende] aanhoudend probeert om haar ZW-aanspraken te ondermijnen en dat zij daardoor in haar belangen wordt geschaad. Volgens appellante heeft de rechtbank uit het oog verloren dat het om haar uitkering gaat en dat een wijziging van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag kan leiden tot een aanpassing van het dagloon. Appellante heeft erop gewezen dat [belanghebbende] al voor 2014 op de hoogte was van alle medische informatie en dus niet tot 2016 hoefde te wachten om het verzoek te doen.

3.2.

Het Uwv heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met artikel 3, elfde lid van de Regeling werkzaamheden, administratieve voorschriften en kosten eigenrisicodragen (Stcrt. 2009, 20617), waaruit blijkt dat het appellante als eigenrisicodrager duidelijk kon zijn dat artikel 52c van de ZW, waarin is bepaald dat aan een belanghebbende, die daarom binnen een redelijke termijn verzoekt, zo spoedig mogelijk een beslissing omtrent ziekengeld wordt verstrekt, ook op haar van toepassing is. Volgens het Uwv had [belanghebbende] daarom veel eerder dan op 21 oktober 2016 een beslissing moeten vragen. Door dat na te laten is de redelijke termijn van artikel 52c van de ZW en van artikel 4:88, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) overschreden. Volgens het Uwv is na toezending van het rapport van de bedrijfsarts Manders van 10 oktober 2014 aan [belanghebbende] , de redelijke termijn op 11 of 12 oktober 2014 gaan lopen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

Hoger beroep van het Uwv

4.1.

Anders dan de rechtbank, is de Raad van oordeel dat het Uwv terecht het verzoek van [belanghebbende] heeft afgewezen, omdat het niet binnen een redelijke termijn is gedaan. Hiertoe is van belang geacht dat uit meergenoemde uitspraak van de Raad, overweging 4.5.5, blijkt dat [belanghebbende] kennelijk al eerder de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van appellante ter discussie had willen stellen en dat deze kwestie al in november 2013 speelde. Ook blijkt uit het aanvullend beroepschrift van 16 maart 2018 van [belanghebbende] dat het naar aanleiding van het rapport van de bedrijfsarts Manders van 10 september 2014 voldoende duidelijk was geworden voor [belanghebbende] dat mogelijk van een andere eerste arbeidsongeschiktheidsdag moest worden uitgegaan. Het oordeel van de rechtbank dat die omstandigheid voor het Uwv aanleiding had moeten zijn om het verzoek van [belanghebbende] inhoudelijk in behandeling te nemen, vindt geen steun in wet- en regelgeving. Het hoger beroep van het Uwv slaagt.

Hoger beroep van appellante

4.2.

Gelet op wat in 4.1 is overwogen slaagt het hoger beroep van appellante ook.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Wel is er aanleiding, onder verwijzing naar artikel 8:114, tweede lid, van de Awb, om te bepalen dat de griffier het door appellante betaalde griffierecht vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 26 april 2017 ongegrond;

  • -

    bepaalt dat de griffier het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 126,-vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en T. Dompeling als leden, in tegenwoordigheid van G.S.M. van Duinkerken als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2021.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) G.S.M. van Duinkerken