Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1024

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
06-05-2021
Zaaknummer
20/1865 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het midden kan worden gelaten of betrokkene en zijn echtgenote al hun verplichtingen zijn nagekomen. Met de Svb is de Raad van oordeel dat betrokkene en zijn echtgenote hebben kunnen begrijpen dat de toeslag vanaf juni 2015 te hoog was vastgesteld. Gelet op het inkomensafhankelijke karakter van de toeslag, had het betrokkene en zijn echtgenote duidelijk kunnen zijn dat hij in verband met de inkomsten van zijn echtgenote uit pgb vanaf juni 2015, die een veelvoud van dit bedrag waren, te veel toeslag ontving. De Svb heeft op zitting het standpunt ingenomen dat toepassing van de nieuwe gedragslijn niet leidt tot de conclusie dat herziening met volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. De Raad is van oordeel dat de Svb, gelet op bovenstaande, in deze zaak zijn vaste gedragslijn, neerkomend op toepassing van het ‘oude’ 3:4-beleid, hiermee consistent heeft toegepast. Appellanten worden niet gevolgd in hun stelling dat de Svb de indruk heeft gewekt dat inkomsten niet hoefden te worden doorgegeven omdat de Svb heeft meegedeeld deze van de Belastingdienst te ontvangen. De door betrokkene aangevoerde argumenten duiden niet op dringende redenen waarom de Svb (deels) van de herziening had moeten afzien. Ook van dringende redenen om van terugvordering van het teveel betaalde bedrag af te zien, is niet gebleken. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/327
NJB 2021/1470
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 1865 AOW, 20/1866 AOW

Datum uitspraak: 4 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

2 april 2020, 18/2558 en 19/1239 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de erven van [betrokkene], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (appellanten)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens [betrokkene] (betrokkene) heeft mr. R.S. Wijling, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Betrokkene is op [datum overlijden] 2021 overleden. Bij brief van 25 januari 2021 hebben appellanten bevestigd dat zij het geding willen voortzetten.

Partijen zijn van tevoren erover geïnformeerd dat op zitting toepassing van het ‘oude’ beleid over artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het kader van de herziening aan de orde zal geworden gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2021. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Wijling. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz en J.Y. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene ontving een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Ook kreeg betrokkene een toeslag voor zijn echtgenote. In mei 2018 heeft de Svb een onderzoek ingesteld naar het inkomen van de echtgenote van betrokkene. Daaruit is naar voren gekomen dat betrokkene een persoonsgebonden budget (pgb) ontving, waarmee hij vanaf juni 2015 zorg inkocht bij zijn echtgenote die de zorg verleende.

1.2.

Bij besluit van 23 juli 2018 (besluit 1) heeft de Svb de toeslag herzien van januari 2015 tot en met juni 2018. Aan de herziening heeft de Svb ten grondslag gelegd dat het werkelijke inkomen van de echtgenote van betrokkene anders was dan het inkomen dat bij de Svb bekend was. Als gevolg daarvan is aan betrokkene een te hoog bedrag aan toeslag betaald. Het inkomen uit pgb dat betrokkene’s echtgenote vanaf juni 2015 ontving is daarbij toegerekend over heel 2015. Bij het bestreden besluit 1, van 10 oktober 2018, is het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.

1.3.

Bij besluit van 5 november 2018 (besluit 2) heeft de Svb de te veel betaalde toeslag van

€ 27.783,58 van betrokkene teruggevorderd. Daarnaast is een boete opgelegd van € 5.533,33. Bij het bestreden besluit 2 van 25 maart 2019 is het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de boete gegrond verklaard en de opgelegde boete herroepen. Het beroep tegen de herziening en de terugvordering is ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de inlichtingenplicht van artikel 49 van de AOW, die zich richt tot de pensioengerechtigde en zijn echtgenote, is geschonden. Betrokkene is niet gevolgd in zijn betoog dat de inkomsten van zijn echtgenote uit pgb op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a en b van de Regeling uitzondering inlichtingenplicht (Rui) samenhang met artikel 5 van het Besluit SUWI, niet aan de Svb hoefde te worden gemeld. Ook is betrokkene niet gevolgd in zijn betoog dat de Svb de beschikking had over gegevens over het inkomen van zijn echtgenote, omdat de Svb zowel de AOW als de pgb uitvoert. De rechtbank is van oordeel dat het voor betrokkene en zijn echtgenote redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat het inkomen uit pgb van invloed kon zijn op de toeslag. Er bestond voor de Svb geen aanleiding om op grond van de op dat moment geldende beleidsregel ‘Verlaging of intrekking met terugwerkende kracht wegens wijziging van de omstandigheden’ (SB1078), geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien. Er is geen sprake van dringende redenen op grond waarvan de Svb geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

3.1.

Appellanten zijn het in hoger beroep niet eens met het oordeel van de rechtbank dat betrokkene de inlichtingenplicht heeft geschonden en dat het hem redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat de toeslag ten onrechte werd verleend. Zij hebben daarbij het standpunt herhaald zoals dat bij de rechtbank naar voren is gebracht en een beroep gedaan op de aanwezigheid van een dringende reden. Verder hebben zij aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het buitenwettelijk begunstigend beleid van de Svb in het kader van het ‘oude’ beleid over artikel 3:4 van de Awb niet heeft besproken.

3.2.

De Svb heeft naar aanleiding van vragen van de Raad toegelicht dat zij een nieuwe gedragslijn heeft met betrekking tot de toepassing van het ‘oude’ beleid over artikel 3:4 van de Awb.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is de herziening en de terugvordering van de toeslag over januari 2015 tot en met juni 2018 ten bedrage van € 27.783,58.

4.2.

Uit artikel 17a, eerste lid, van de AOW volgt dat als de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de Svb gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken indien het niet nakomen van de inlichtingenplicht heeft geleid tot het verlenen van een ouderdomspensioen tot een te hoog bedrag (a) maar ook indien anderszins het ouderdomspensioen tot een te hoog bedrag is verleend (b).

Toepassing beleid

4.3.

De Svb heeft beleid ontwikkeld voor het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat de Svb niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij verder niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend. In een dergelijk geval herziet de Svb de uitkering in beginsel zonder terugwerkende kracht.

4.4.

In het midden kan worden gelaten of betrokkene en zijn echtgenote al hun verplichtingen zijn nagekomen. Voor herziening van het recht op uitkering is schending van de inlichtingenplicht, blijkens artikel 17a, eerste lid, sub b, van de AOW, geen noodzakelijke voorwaarde. De gronden die zien op het niet schenden van de inlichtingenplicht behoeven daarom geen bespreking. Ingevolge het beleid van de Svb is wel van belang of betrokkene en zijn echtgenote hebben kunnen begrijpen dat de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd verleend. Met de Svb is de Raad van oordeel dat betrokkene en zijn echtgenote hebben kunnen begrijpen dat de toeslag vanaf juni 2015 te hoog was vastgesteld. Betrokkene heeft in 2014 en 2015 een aantal herzieningsbesluiten – de dato 23 juni 2014, 22 december 2014 en 18 juni 2015 – ontvangen over het recht op toeslag omdat het inkomen van zijn echtgenote een andere hoogte had dan bij de Svb bekend was. In die besluiten is vermeld dat de Svb ervan uit ging dat de echtgenote van betrokkene een maandinkomen had van € 300,- bruto. Gelet op het inkomensafhankelijke karakter van de toeslag, had het betrokkene en zijn echtgenote duidelijk kunnen zijn dat hij in verband met de inkomsten van zijn echtgenote uit pgb vanaf juni 2015, die een veelvoud van dit bedrag waren, te veel toeslag ontving. Deze inkomensafhankelijkheid brengt mee dat in beginsel elke toename van het inkomen uit arbeid van de partner van de uitkeringsgerechtigde leidt tot een verlaging van de aanspraak op een toeslag op het ouderdomspensioen. Aangezien sprake was van substantiële pgb-inkomsten

– zo ontving zij € 10.215,- in 2015 en € 23.130,- in 2016 – hadden betrokkene en zijn echtgenote moeten en kunnen onderkennen dat de toeslag niet op basis van alle relevante gegevens was vastgesteld. Bij twijfel aan de juistheid van de hoogte van de toeslag had het op de weg van betrokkene en zijn echtgenote gelegen om met de Svb contact op te nemen. Dit betekent dat de Svb op grond van zijn onder 4.3 vermelde beleid niet heeft hoeven afzien van de herziening van de toeslag met terugwerkende kracht.

Toepassing nieuwe gedragslijn

4.5.

Zoals op zitting aan de orde is geweest en nader is toegelicht hanteert de Svb – in afwachting van nieuw beleid – inmiddels ook een vaste gedragslijn in zaken als deze, waarin de uitkering is herzien met volledig terugwerkende kracht ten nadele van de belanghebbende (zie de uitspraak van de Raad van 25 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:672). In die gedragslijn is aansluiting gezocht bij het “oude” beleid over toepassing van artikel 3:4 van de Awb. In dit beleid was de mogelijkheid opgenomen geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien als de bijzondere omstandigheden van het geval tot het oordeel leiden dat een volledig terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. Bij de beoordeling of sprake is van kennelijke onredelijkheid werd waarde gehecht aan de mate waarin aan de belanghebbende en aan de Svb een verwijt kon worden gemaakt. Ook was van belang de mate waarin de herziening met volledige terugwerkende kracht en de hiermee gepaard gaande terugvordering onevenredig ingrijpend is in het dagelijkse leven van de belanghebbende. Als de Svb op grond van deze factoren van oordeel was dat volledige herziening kennelijk onredelijk was, werd de terugwerkende kracht van de herziening of intrekking gematigd. Dit beleid is eerder niet op bedenkingen van de Raad gestuit.

4.6.

De Svb heeft op zitting het standpunt ingenomen dat toepassing van de nieuwe gedragslijn niet leidt tot de conclusie dat herziening met volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. Toegelicht is dat de inkomsten die de echtgenote ontving bij de Belastingdienst zijn verantwoord als inkomsten als zelfstandige en niet als loon. Dergelijke inkomsten worden aan de Svb pas bekend nadat de aanslag is vastgesteld. Daar gaan soms jaren overheen en daarom wordt er steeds op gewezen dat een wijziging van het inkomen moet worden gemeld bij de Svb. Dat in twee jaren door de Svb niet is verzocht opgave te doen van het inkomen, doet daar niet aan af. Bij een inkomen van rond de € 2.000,- per maand moet duidelijk zijn dat geen recht op toeslag bestaat. Het verwijt ligt meer bij betrokkene en niet zozeer bij de Svb. Daarom leidt toepassing van dit deel van het beleid niet tot matiging van het herzieningsbesluit. De Raad is van oordeel dat de Svb, gelet op bovenstaande, in deze zaak zijn vaste gedragslijn, neerkomend op toepassing van het ‘oude’ 3:4-beleid, hiermee consistent heeft toegepast. Aannemelijk is dat de appellanten door het ontbreken van deze toets in een eerdere fase van de besluitvorming niet zijn benadeeld. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak op dit punt voor bevestiging in aanmerking komt, met verbetering van de gronden.

4.7.

Appellanten worden niet gevolgd in hun stelling dat de Svb de indruk heeft gewekt dat inkomsten niet hoefden te worden doorgegeven omdat de Svb heeft meegedeeld deze van de Belastingdienst te ontvangen. Inderdaad is in de besluiten van 22 december 2014 en 23 juni 2014 vermeld dat de Svb inkomensgegevens van de Belastingdienst krijgt, maar in de bijlagen is steeds gemeld dat wijzigingen van vaste inkomsten uit loon, pensioen of uitkering niet hoeven te worden doorgegeven en wijzigingen in wisselende inkomsten en wijzigingen in inkomsten uit zelfstandig beroep wel. “Geef een wijziging in wisselende inkomsten, inkomsten uit een zelfstandig beroep of onderneming en inkomsten buiten Nederland altijd binnen [vier weken Nederland, zes weken buiten Nederland] aan ons door.” De echtgenote van betrokkene had per maand wisselende inkomsten en genoot deze als zelfstandige.

Dringende reden

4.8.

Op grond van artikel 17a, tweede lid, van de AOW kan de Svb geheel of gedeeltelijk afzien van de herziening als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Het moet dan gaan om incidentele uitzonderingen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt. Volgens vaste rechtspraak kunnen dringende redenen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een herzieningsbesluit voor de betrokkene heeft (vergelijk ECLI:NL:CRVB:2021:672). De door betrokkene voorts aangevoerde argumenten duiden niet op dringende redenen waarom de Svb (deels) van de herziening had moeten afzien. Ook van dringende redenen om van terugvordering van het teveel betaalde bedrag af te zien, is niet gebleken. Daarbij is in aanmerking genomen dat niet aannemelijk is gemaakt dat de dementie van betrokkene een omstandigheid is die de terugvordering voor betrokkene onaanvaardbaar maakte. Voor zover appellanten hebben bedoeld te stellen dat sprake is van onaanvaardbare financiële gevolgen van de terugvordering, is van belang dat de Svb met de aflossingscapaciteit rekening houdt bij de invordering. Nu door het overlijden van betrokkene een nieuwe situatie is ontstaan, zal de Svb de aflossingscapaciteit opnieuw moeten vaststellen.

Conclusie

4.9.

Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en J.C. Boeree en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van E.M. Welling als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2021.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) E.M. Welling