Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1022

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
19/2972 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering. Naderhand verkregen middelen uit erfenis. Geen sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich dringende redenen voordoen. De stelling dat zij heeft gewerkt voor haar bijstandsuitkering is niet juist. Zij heeft bijstand ontvangen omdat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde en daartegenover stond geen tegenprestatie in de vorm van werk. Het werk dat zij in het kader van haar arbeidsverplichting verrichtte had als doel dat zij onafhankelijk van de bijstand zou worden. Haar stelling dat de bijstand fictief loon is dat zij moet terugbetalen, is daarom ook niet juist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2972 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 28 mei 2019, 18/4178 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Lelystad (college)

Datum uitspraak: 4 mei 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.H.H. Nauta, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Nauta. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 23 februari 2010 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 18 december 2015 heeft het college appellante meegedeeld dat zij is aangemeld bij Werkbedrijf Lelystad voor een re-integratietraject, bestaande uit een werkervaringsovereenkomst voor de periode van 18 december 2015 tot 18 december 2016. Appellante heeft hiertoe een ‘Overeenkomst werkervaringsbaan’ ondertekend en is in het kader daarvan werkzaam geweest bij [bedrijf 1]. De werkervaringsovereenkomst was aanvankelijk verlengd tot 18 december 2017, maar is tussentijds met ingang van 19 juni 2017 beëindigd. Bij besluit van 22 november 2017 heeft het college appellante meegedeeld dat zij is aangemeld bij Werkbedrijf Lelystad voor een re-integratietraject, bestaande uit een werkervaringsovereenkomst voor de periode van 27 november 2017 tot 1 januari 2018. Appellante had in die periode een werkervaringsplaats bij [bedrijf 2]. Met ingang van 1 januari 2018 is appellante daar op basis van een reguliere arbeidsovereenkomst in deeltijd gaan werken. In de periodes waarin appellante werkzaam was in een werkervaringsbaan is de bijstandsverlening onverkort voortgezet.

1.2.

Appellante heeft op 26 februari 2018 telefonisch aan het college doorgegeven dat zij binnenkort een erfenis zal ontvangen van haar op 26 maart 2017 overleden vader. Om die reden heeft het college de uitbetaling van de bijstand van appellante vanaf 1 februari 2018 geblokkeerd. Op 6 maart 2018 heeft appellante uit de erfenis van haar vader een bedrag van € 39.270,86 op haar bankrekening ontvangen. Omdat appellante als gevolg van deze erfenis over voldoende middelen beschikte om in haar levensonderhoud te voorzien, heeft het college bij besluit van 28 maart 2018 de bijstand van appellante met ingang van 6 maart 2018 ingetrokken.

1.3.

Bij besluit van 3 april 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 oktober 2018 (bestreden besluit), heeft het college met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 26 maart 2017 tot en met 31 januari 2018 tot een bedrag van € 8.886,25 van appellante teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft, zoals nader toegelicht ter zitting van de Raad, het volgende aangevoerd. In haar geval doen zich dringende redenen voor om gedeeltelijk af te zien van terugvordering. De terugvordering heeft onaanvaardbare financiële gevolgen voor haar. Zij heeft namelijk in de periodes van 26 maart 2017 tot 19 juni 2017 en van 27 november 2017 tot 1 januari 2018 (periodes in geding) via een zogenaamde ‘werkervaringsbaan’ gewerkt voor haar bijstandsuitkering en moet de over deze periodes verstrekte bijstand, die is te beschouwen als fictief loon, nu terugbetalen. Het college heeft het instrument ‘werkervaringsbaan’ in het geval van appellante niet goed ingezet omdat zij al over voldoende werkervaring beschikte. Appellante had voor haar werkzaamheden dan ook regulier loon moeten krijgen in plaats van bijstand.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 26 maart 2017 tot en met 31 januari 2018 tot een bedrag van € 8.886,25 van appellante terug te vorderen. Gelet op de ter zitting van de Raad gegeven toelichting op de beroepsgronden is uitsluitend in geschil of sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW om over de periodes in geding van terugvordering af te zien.

4.2.

Dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW doen zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. In die gevallen zal een individuele afweging van alle relevante omstandigheden moeten plaatsvinden. Degene die zich beroept op dringende redenen, moet die redenen aannemelijk maken.

4.3.

Appellante heeft met wat zij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat zich dringende redenen voordoen als hiervoor bedoeld. De stelling van appellante dat zij heeft gewerkt voor haar bijstandsuitkering is niet juist. Zij heeft bijstand ontvangen omdat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde en daartegenover stond geen tegenprestatie in de vorm van werk. Het werk dat zij verrichtte had als doel dat zij onafhankelijk van de bijstand zou worden. Haar stelling dat de bijstand fictief loon is dat zij moet terugbetalen, is daarom ook niet juist. Het betoog van appellante dat het instrument ‘werkervaringsbaan’ in haar geval verkeerd is ingezet treft, wat van die stelling ook zij, geen doel, alleen al niet omdat dit niet het gevolg is van de terugvordering.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2021.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) B. Beerens