Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1001

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
20/86 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht geweigerd WIA-uitkering toe te kennen. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen reden om aan te nemen dat de mogelijkheden en beperkingen van appellante op onjuiste wijze in de FML zijn neergelegd. Voldoende gemotiveerd dat de aan de geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 86 WIA

Datum uitspraak: 28 april 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 10 december 2019, 19/1174 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 17 maart 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Verstraten. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.W.C. Jacobs

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als schoonmaakmedewerker voor 18,05 uur per week. Op 12 juli 2012 heeft appellante zich ziek gemeld met fysieke en later ook psychische klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 10 juli 2014 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellante heeft zich daarna, vanuit de situatie dat zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, meermaals ziek gemeld, laatstelijk op 27 oktober 2016. Vanaf 19 januari 2017 ontving appellante een uitkering op grond van de Ziektewet.

1.2.

Op 10 augustus 2018 heeft appellante een aanvraag op grond van de Wet WIA ingediend. In het kader van die aanvraag heeft appellante op 10 september 2018 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 30 oktober 2018, geldig vanaf 10 september 2018. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Zij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 17,93%. Bij besluit van 20 november 2018 heeft het Uwv geweigerd aan appellante aan het einde van de wettelijke wachttijd met ingang van 25 oktober 2018 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 4 april 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 11 maart 2019 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 3 april 2019 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat geen reden bestaat om aan te nemen dat de mogelijkheden en beperkingen van appellante op onjuiste wijze in de FML zijn neergelegd. Op basis van deze FML zijn naar het oordeel van de rechtbank de geselecteerde functies in medisch opzicht ook geschikt voor appellante.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar haar gezondheidsklachten en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het al eerder vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage ongewijzigd is gebleven en de eerder vastgelegde beperkingen onverkort zijn gehandhaafd in de FML. De verzekeringsartsen hebben de beperkingen van appellante in verband met haar fysieke en psychische klachten onderschat. Appellante heeft ernstige beperkingen in het lopen en staan en heeft daarom vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) een scootmobiel en vanuit de gemeente een parkeervergunning gekregen. Verder is onvoldoende rekening gehouden met de psychische klachten van appellante. Een onderzoek door een onafhankelijk deskundige is aangewezen. Appellante heeft tot slot aangevoerd dat de geselecteerde functies van winkelhulpkracht en telefonisch verkoper niet geschikt zijn. Appellante heeft ter onderbouwing van haar standpunten recente medische stukken ingebracht.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 25 oktober 2018 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen.

4.2.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht. Appellante is op 10 september 2018 gezien door een verzekeringsarts, waarbij deze lichamelijk en psychisch onderzoek heeft verricht en recente medische informatie van de behandeld GZ-psycholoog van appellante in de beoordeling heeft betrokken. Aan de hand van deze actuele gegevens heeft de verzekeringsarts een inschatting gemaakt van de belastbaarheid van appellante en deze vastgelegd in de FML van 30 oktober 2018. Dat deze FML exact hetzelfde zou zijn als de eerdere FML van 22 april 2014 is niet juist. De verzekeringsarts heeft bijvoorbeeld thans rekening gehouden met de psychische klachten van appellante en hiervoor een beperking aangenomen in rubriek 2.8 (omgaan met conflicten). De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanvullend gemotiveerd waarom geen aanleiding bestond voor het aannemen van meer beperkingen dan al aangenomen door de primaire verzekeringsarts en is daarbij ingegaan op de door appellante aangevoerde bezwaargronden.

4.3.

De verzekeringsarts heeft in de FML van 30 oktober 2018 beperkingen aangenomen ten aanzien van het lopen en staan en het gebruik van de handen en polsen. Dat appellante beperkter is voor staan en lopen dan door de verzekeringsartsen aangenomen en dat meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen voor het gebruik van haar handen en polsen (met braces), is niet onderbouwd met nieuwe medische gegevens. Appellante heeft in hoger beroep informatie van de gemeente over het toekennen van een scootmobiel en een gehandicaptenparkeerkaart overgelegd, maar de medische onderbouwing hiervan ontbreekt. Onduidelijk is dus op basis van welke medische gegevens deze voorzieningen zijn toegekend. Bovendien geldt, zoals het Uwv in het verweerschrift terecht heeft opgemerkt, voor de WMO een ander beoordelingskader dan voor de Wet WIA. Zie hierover bijvoorbeeld de uitspraak van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:536. Daar komt nog bij dat deze toekenningen vanuit de gemeente niet zien op de datum in geding, 25 oktober 2018. De door appellante in hoger beroep overgelegde informatie van orthopedisch chirurg Drees van 26 augustus 2020 dateert eveneens van ver na de datum in geding en bevat geen medische informatie waarmee door de verzekeringsartsen niet al rekening was gehouden.

4.4.

Ook in verband met de psychische klachten van appellante heeft de verzekeringsarts beperkingen aangenomen in de FML. Dat appellante vanuit de WMO een indicatie heeft gekregen voor individuele begeleiding betekent niet dat meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Van deze WMO-indicatie van 24 september 2019 ontbreekt de medische onderbouwing en ook deze indicatie dateert van ver na de datum in geding. Dat geldt eveneens voor de brief van [naam] van 27 januari 2020.

4.5.

Gelet op 4.3 en 4.4 bestaat geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige. De door appellante in hoger beroep ingebrachte brief van orthopedisch chirurg Kaarsemaker van 18 februari 2021 geeft hiertoe evenmin aanleiding. Kaarsemaker heeft zich in deze brief terecht op het standpunt gesteld dat hij als behandelaar van appellante geen inschatting van de arbeidsbelastbaarheid kan maken. In dat licht moet zijn opmerking worden gelezen dat een orthopedische expertise is geïndiceerd. Op orthopedisch gebied heeft hij geen objectiveerbare afwijkingen vastgesteld.

4.6.

Gelet op 4.2 tot en met 4.5 wordt het oordeel van de rechtbank, dat geen reden bestaat om aan te nemen dat de mogelijkheden en beperkingen van appellante op onjuiste wijze in de FML zijn neergelegd, onderschreven.

4.7.

Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn. De arbeidsdeskundige is immers uitgegaan van de beperkingen zoals vastgelegd in de FML. Hierin is ook rekening gehouden met de dyslectie van appellante.

4.8.

Uit 4.2 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2021.

(getekend) E. Dijt

(getekend) H. Spaargaren