Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:100

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2021
Datum publicatie
19-01-2021
Zaaknummer
18/1183 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 19 januari 2021

18/1183 PW, 20/1921 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

15 januari 2018, 17/555 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Gravenhage (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Op 9 maart 2020 heeft het college een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Bij brief van 27 april 2020 heeft mr. Van Es aangegeven dat appellant aanspraak wil maken op de wettelijke rente. Bij brief van 11 juni 2020 heeft het college laten weten de wettelijke rente te zullen vergoeden tot een bedrag van € 926,63.

Bij brief van 15 juli 2020 heeft mr. Van Es namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.

Het college heeft geen verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken omdat het college met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 9 maart 2020 en de toekenning van de wettelijke rente, volledig aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.

De Raad ziet aanleiding om het college te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 534,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellant zich rechtstreeks tot het college wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 534,-.

Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van

K.R. van Renswoude als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2021.

(getekend) A.M. Overbeeke

(getekend) K.R. van Renswoude