Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:994

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2020
Datum publicatie
27-04-2020
Zaaknummer
18-1726 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herzien bijstand van norm alleenstaande in toepassen kostendelersnorm. Dat medebewoner niet bijdraagt in de kosten is niet in strijd met bedoeling wetgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2020/128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1726 PW

Datum uitspraak: 21 april 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 februari 2018, 17/5084 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.D. Klieverik, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 18/1664 PW plaatsgevonden op 9 maart 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Klieverik. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Tang. In de zaak 18/1664 PW is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van een signaal uit de Basisregistratie personen dat appellante per 21 oktober 2016 een medebewoner had van 21 jaar of ouder, heeft het college een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dat kader heeft appellante een vragenlijst gezamenlijke huishouding ingevuld. Op die vragenlijst heeft appellante onder meer vermeld dat A bij haar inwoont en de helft van haar woning gebruikt.

1.2.

Bij besluit van 9 maart 2017 heeft het college met ingang van 21 oktober 2016 de alleenstaande norm van appellante omgezet naar bijstand met toepassing van de kostendelersnorm. Bij afzonderlijk besluit van 9 maart 2017 heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 1 oktober 2016 tot en met 28 februari 2016 herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 1.073,32 op de grond dat appellante onder de kostendelersnorm valt.

1.3.

Bij besluit van 11 juli 2017 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 9 maart 2017 ongegrond verklaard. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat A als een kostendelende medebewoner moet worden aangemerkt. A betaalt geen huur en studeert niet met aanspraak op studiefinanciering. Dat A geen inkomen heeft waardoor hij niet kan bijdragen in de woonkosten maakt dit niet anders. Omdat appellante de inlichtingenverplichting is nagekomen is de terugvordering gebaseerd op artikel 58, tweede lid, aanhef en onder b (lees: onder a), van de PW.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 oktober 2016 tot en met 9 maart 2017.

4.2.

Artikel 19a, eerste lid, van de PW, bepaalt dat onder kostendelende medebewoner wordt verstaan de persoon van 21 jaar of ouder die in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft en niet valt onder a tot en met d.

4.3.

Appellante heeft als enige beroepsgrond aangevoerd dat de teleologische interpretatie van een wet mogelijkheden biedt wanneer de regel tot onredelijke uitkomsten zou leiden. In dit geval leidt de toepassing van de kostendelersnorm tot een onredelijke uitkomst, nu A niet in de woonkosten van appellante kon bijdragen. Hierbij heeft appellante verwezen naar de bij de Raad aanhangige procedure van A, onder nummer 18/1664 PW. Het kan volgens de teleologische interpretatie niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat appellante in haar uitkering wordt gekort, terwijl zij extra kosten heeft doordat zij A in huis heeft genomen.

4.4.

De beroepsgrond van appellante slaagt niet op grond van het volgende. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3870), heeft de wetgever met het invoeren van de kostendelersnorm beoogd dat bij de vaststelling van de toepasselijke bijstandsnorm direct rekening wordt gehouden met de voordelen van het kunnen delen van de kosten met één of meer personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Niet is relevant de vraag of de medebewoners de kosten feitelijk delen en of elk van hen daadwerkelijk bijdraagt in die kosten. Niet bepalend is dus of de woonkosten en de overige kosten door appellante en A feitelijk worden gedeeld, maar dat die kosten kúnnen worden gedeeld. De artikelen 22a en 19a van de PW zijn dwingendrechtelijk van aard zodat ze - behoudens de in artikel 19a, eerste lid onder a tot en met d, vermelde situaties, die hier niet van toepassing zijn, - geen ruimte bieden voor afwijking dan wel buiten toepassing laten van de kostendelersnorm. De PW biedt dan ook geen grondslag voor gehele of gedeeltelijke afwijking van de kostendelersnorm op de grond dat toepassing ervan leidt tot een onredelijke uitkomst of een onbillijkheid van overwegende aard. Bovendien heeft de wetgever bij de invoering van de kostendelersnorm nadrukkelijk overwogen dat de voordelen van het kunnen delen van de kosten met medebewoners los staan van de redenen waarom men de woning deelt (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 19, blz. 15-16). Uit het voorgaande volgt dat de toepassing van de kostendelersnorm op appellante, niet in strijd is met de bedoeling van de wetgever.

4.5.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van T. Ali als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2020.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) T. Ali