Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:991

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2020
Datum publicatie
27-04-2020
Zaaknummer
17-5985 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:4446, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Voeren gezamenlijke huishouding niet gemeld. Waarnemingen zijn geen stelselmatige observaties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/244
USZ 2020/147
JB 2020/128
JWWB 2020/155
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5985 PW

Datum uitspraak: 21 april 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 juli 2017, 16/10493 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Breda (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Akça-Altun, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 10 maart 2020. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 30 augustus 2012 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante stond ten tijde van belang samen met haar drie kinderen, geboren op onderscheidenlijk [in ] 2008,

[in ] 2013 en [in ] 2015, in de Basisregistratie personen ingeschreven op adres A (uitkeringsadres). X is de vader van de kinderen en heeft hen als zodanig erkend. Sinds

20 april 2015 staat X ingeschreven op adres B.

1.2.

Aangezien X op een ander adres staat ingeschreven dan appellante en hun kinderen, hebben medewerkers van de afdeling Toezicht en Handhaving in het kader van een project Landelijke Aanpak Adreskwaliteit een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand wegens mogelijke schijnverlating. In dat kader is dossieronderzoek verricht en zijn diverse registraties geraadpleegd. Tevens zijn in de periode van 19 mei 2016 tot en met 28 juli 2016 diverse waarnemingen verricht, onder meer in de nabijheid van de woning van appellante. Op 2 augustus 2016 hebben twee toezichthouders een onaangekondigd huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres. Een van de toezichthouders heeft appellante daarna gehoord. Op 8 augustus 2016 heeft diezelfde toezichthouder X gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 augustus 2016.

1.3.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 17 augustus 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 december 2016 (bestreden besluit), de bijstand van appellante ingetrokken met ingang van 1 maart 2015 en de over de periode

1 maart 2015 tot en met 31 juli 2016 gemaakte kosten van bijstand van € 18.972,93 van appellante teruggevorderd. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante in strijd met haar wettelijke inlichtingenverplichting heeft verzwegen dat zij en X een gezamenlijke huishouding voerden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 maart 2015, de datum van de intrekking, tot en met 17 augustus 2016, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2.

Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.

4.3.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren.

4.4.

Vaststaat dat uit de relatie tussen appellante en X drie kinderen zijn geboren. Gelet op 4.3 is voor de beantwoording van de vraag of appellante en X een gezamenlijke huishouding voerden daarom bepalend of zij in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

4.4.1.

In de te beoordelen periode stond X niet ingeschreven op het uitkeringsadres. Dit gegeven staat echter op zichzelf niet eraan in de weg dat appellante en X hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. Aannemelijk zal moeten zijn dat het uitkeringsadres als hoofdverblijf van beiden fungeert. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van het persoonlijk leven is. Waar dit is, moet worden vastgesteld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Hierbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.5.

De onderzoeksbevindingen bieden voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat X in de gehele te beoordelen periode zijn hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres. De verklaringen van appellante en X zijn daartoe van doorslaggevende betekenis.

4.5.1.

Appellante heeft op 2 augustus 2016 onder meer verklaard:

“X heeft een eigen sleutel van mijn voordeur zodat hij naar binnen kan. Ik verklaar u dat hij inderdaad vaak bij mij is. Het merendeel van de week. Het is wisselend zoals het is. Dan slaapt hij 2x, dan 3x, dan de hele week bij mij. Ik bedoel daarmee de doordeweekse werkdagen. In het weekend is hij dan ook nog bij mij. Dat is dan bijna ieder weekend.

Dus als het gaat om zijn verblijf bij mij dan is hij het merendeel van de tijd bij mij.

(…) [in ] 2015 is Y geboren. Het is vanaf de geboorte van Y dat X de meeste tijd bij mij verblijft. ”

4.5.2.

X heeft op 8 augustus 2016 onder meer het volgende verklaard:

“ (…) ga ik na mijn werk naar mijn kinderen aan (het uitkeringsadres). Ik blijf dan een paar uur en dan ga ik weer weg. De laatste tijd heb ik er ook wel gelogeerd. Sinds vijf à zes maanden geleden logeer ik er wel veel. Dit is soms vijf of zes dagen per week of drie of vier dagen per week. (…) sedert de geboorte van de jongste ben ik meestal daar en heb ik bij haar mijn hoofdverblijf (…). Het is zo dat ik sedert de geboorte van de jongste bijna elke dag bij (appellante) kwam voor de kinderen. Vanaf februari 2016 verblijf ik ook altijd daar op het adres van (appellante). (…) Als (appellante) zegt dat ik vanaf de geboorte van de jongste bij haar mijn hoofdverblijf had dan klopt dat niet. Ik was er vaak, dat wel.”

4.5.3.

Anders dan appellante heeft aangevoerd, kan uit deze verklaringen worden afgeleid dat sprake is van een gezamenlijk hoofdverblijf in de gehele te beoordelen periode. De verklaringen zijn voldoende gedetailleerd en specifiek om daaraan conclusies te kunnen verbinden. De stelling van appellante dat zij geen correcties heeft kunnen aanbrengen op het verslag van haar verklaring mist feitelijke grondslag. Appellante heeft dit verslag onder iedere bladzijde afzonderlijk getekend. De ondertekening op de laatste bladzijde is geplaatst direct onder de zin “Nadat belanghebbende de verklaring was voorgelezen en de mogelijkheid was geboden om correcties aan te brengen, volhardde zij daarbij en ondertekende zij deze”. Deze verklaring is neergelegd in een op ambtseed opgemaakt verslag van de toezichthouder die deze verklaring heeft afgenomen. Gelet op deze feiten heeft de rechtbank terecht overwogen dat mag worden aangenomen dat appellante de gelegenheid heeft gehad onjuistheden in haar verklaring te herstellen voordat zij die verklaring ondertekende.

4.5.4.

De verklaringen van appellante en X worden ondersteund door de waarnemingen in de periode van 19 mei 2016 tot 28 juli 2016. In die periode zijn op 28 dagen, meestal werkdagen, waarnemingen verricht. Vijf keer is waargenomen dat X rond half zes in de morgen vanuit de woning vertrok en in de middag rond drie uur met de auto terugkeerde op het uitkeringsadres. Zes keer is waargenomen dat X in de auto aankwam bij het uitkeringsadres, daar al dan niet met een huissleutel de woning binnen ging en vanaf dat adres de volgende dag vertrok. De aankomst- en vertrektijden sluiten aan op de werktijden van X. Dat deze waarnemingen zich niet uitstrekten over de gehele te beoordelen periode is niet van belang, nu deze waarnemingen slechts als steunbewijs voor een beperkte periode dienen.

4.5.5.

Ook de omstandigheid dat X bij zijn werkgever uitsluitend op het adres van appellante bekend is, ondersteunt het standpunt van het college dat X in de gehele te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.

4.5.6.

De stelling van appellante dat X in haar woning aanwezig was omdat hij in het kader van de omgangsregeling door zijn verslavingsproblematiek zijn kinderen alleen maar daar mag zien, leidt niet tot een ander oordeel. Voor de beoordeling of appellante en X beiden hun hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres, is de feitelijke situatie bepalend. Daarbij zijn, zoals onder 4.4.1 is vermeld, de omstandigheden die tot dat gezamenlijk hoofdverblijf hebben geleid, de motieven van betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.6.

Appellante heeft aangevoerd dat de waarnemingen in strijd zijn met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) omdat sprake was van stelselmatige observatie. De woning van appellante is in de gaten gehouden en dat vormt een niet gerechtvaardigde inbreuk op haar privéleven. De waarnemingen kunnen daarom niet als bewijs worden gebruikt. Deze beroepsgrond slaagt niet

4.6.1.

De waarnemingen zijn niet als stelselmatige observaties aan te merken. Het gaat om circa 43 kennelijk kortdurende waarnemingen op 28 dagen. De waarnemingen waren vooral gericht op de aanwezigheid van de auto van X en op de voordeur van de woning van appellante. Daarmee kon niet een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van het leven van appellante worden verkregen. De waarnemingen vormden een beperkte en aanvaardbare inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van appellante. Van strijd met de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit is geen sprake.

4.7.

Appellante heeft verder aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over haar beroepsgrond dat het huisbezoek onrechtmatig was omdat de toestemming voor het betreden van de woning niet vrijwillig is gegeven en er geen sprake was van ‘informed consent’. Deze beroepsgrond wordt onbesproken gelaten, omdat de bevindingen van het huisbezoek niet aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd.

4.8.

Appellante heeft tegen de terugvordering geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd, zodat deze geen bespreking behoeft.

4.9.

Uit 4.3 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak;

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en E.C.G. Okhuizen en M. van Paridon als leden, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2020.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) S.H.H. Slaats

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding