Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:982

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
19/1301 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering pgb-budget. Afwijzing verzoek om herziening. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de daartoe gegeven overwegingen, dat het indicatiebesluit niet kan worden aangemerkt als nieuw feit in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Uit het indicatiebesluit kan niet worden afgeleid dat in 2013 ook daadwerkelijk gespecialiseerde begeleiding aan appellant is verleend. Het besluit is niet evident onredelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1301 AWBZ

Datum uitspraak: 15 april 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 maart 2019, 18/2525 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

Stichting Zorgkantoor Menzis (zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.P. Boer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Boer. Het zorgkantoor heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Het zorgkantoor heeft aan appellant op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor het jaar 2013 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 22.918,11.

1.2.

Bij besluit van 4 juni 2014 heeft het zorgkantoor het pgb voor het jaar 2013 vastgesteld op € 17.146,57 en een bedrag van € 5.771,54 van appellant teruggevorderd. Voor zover hier van belang, zijn de kosten van de door zorgverlener Zorgplus (Zorgplus) aan appellant geleverde begeleiding geaccepteerd op basis van het in artikel 2.6.13, vijfde lid, onderdeel b, sub 2, van de Rsa vastgestelde maximumtarief van € 63,- per uur en niet op basis van het door Zorgplus gefactureerde tarief van € 80,- per uur.

1.3.

Bij uitspraak van 11 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:230, heeft de Raad geoordeeld dat het zorgkantoor bij de vaststelling van het pgb over 2013 terecht is uitgegaan van een uurtarief van € 63,- voor de door Zorgplus aan appellant verleende zorg. Daartoe is overwogen dat er onvoldoende gronden zijn om aan te nemen dat het gefactureerde tarief tegen de achtergrond van de van toepassing zijnde Beleidsregel CA-300-522 Prestatiebeschrijvingen en tarieven extramurale zorg 2013 van de Nederlandse Zorgautoriteit juist is geweest. Gegevens daarvoor ontbreken, in het bijzonder een zorgplan of een plan van aanpak, waaruit kan worden afgeleid wat de doelen van de begeleiding zijn geweest.

1.4.

Op 7 februari 2018 heeft appellant bij het zorgkantoor een verzoek ingediend dat ertoe strekt dat het besluit van 4 juni 2014 wordt herzien. Daarbij is, onder overlegging van het indicatiebesluit van 25 juni 2012, gesteld dat appellant in aanmerking kwam voor gespecialiseerde begeleiding en deze aan hem is geleverd, zodat het door Zorgplus gefactureerde tarief volledig voor vergoeding vanuit het pgb in aanmerking komt.

1.5.

Bij besluit van 19 maart 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 mei 2018 (bestreden besluit), heeft het zorgkantoor het verzoek om herziening afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft aangevoerd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het zorgkantoor zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb geen sprake is. De indicatie voor het zorgzwaartepakket GGZ03C was al voor het besluit van 4 juni 2014 bekend. Zonder deze indicatie kon immers geen pgb worden toegekend. Verder is niet gebleken dat van de zijde van appellant niet eerder over het indicatiebesluit had kunnen worden beschikt en, als bewijs van de stelling dat er geen gewone maar gespecialiseerde begeleiding is geleverd, had kunnen worden overgelegd.

De rechtbank is verder van oordeel dat wat appellant heeft aangevoerd niet leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Daartoe is overwogen dat het indicatiebesluit op zich onvoldoende is om aan te nemen dat destijds daadwerkelijk gespecialiseerde begeleiding aan appellant is verleend.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

Daartoe heeft hij gesteld dat uit het indicatiebesluit volgt dat zorg en tarief overeenkwamen zodat het besluit van 4 juni 2014 onmiskenbaar onjuist is, voor zover daarbij de kosten van de door Zorgplus geleverde begeleiding niet geaccepteerd zijn tegen het gefactureerde tarief.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor het van toepassing zijnde toetsingskader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.2.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de daartoe gegeven overwegingen, dat het indicatiebesluit niet kan worden aangemerkt als nieuw feit in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb.

4.3.

Uit het indicatiebesluit kan niet worden afgeleid dat in 2013 ook daadwerkelijk gespecialiseerde begeleiding aan appellant is verleend. De voor die vaststelling vereiste gegevens, zoals bijvoorbeeld een zorgplan, ontbreken nog steeds. Dat betekent dat het indicatiebesluit ontoereikend is voor de conclusie dat het besluit van 4 juni 2014 onmiskenbaar onjuist is voor zover daarbij de kosten van de door Zorgplus geleverde begeleiding niet volledig ten laste van het pgb zijn gebracht. Daarmee is overigens niet gezegd dat indien wel was komen vast te staan dat het besluit van 4 juni 2014 in zoverre onmiskenbaar onjuist was, dat zou betekenen dat het zorgkantoor ook gehouden zou zijn om van het besluit van 4 juni 2014 terug te komen. Vereist zou dan namelijk zijn dat in wat is aangevoerd, aanleiding kan worden gevonden voor het oordeel dat (het gevolg van) de weigering het onjuist gebleken besluit te herzien, evident onredelijk is. Daarvan zal doorgaans slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Dat is hier niet aan de orde.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat wat appellant heeft aangevoerd niet leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2020.

(getekend) J. Brand

(getekend) H. Spaargaren