Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:978

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
19/299 WSF
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:10464, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering studiefinanciering. De minister heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat appellante ten tijde van de controle niet woonde op het brp‑adres en dat appellante niet onomstotelijk heeft bewezen dat zij voor de datum van het huisbezoek wel op het brp-adres heeft gewoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 299 WSF

Datum uitspraak: 15 april 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 december 2018, 18/2535 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Šimičević, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Šimičević. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door [X].

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante stond in de periode van 23 september 2015 tot 8 maart 2018 in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven onder het adres [brp-adres] in [woonplaats] (brp-adres). Appellante heeft, voor zover hier van belang, vanaf 1 oktober 2015 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) ontvangen, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.

1.2.

Op 8 november 2017 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van betrokkene. Daartoe is, in het bijzijn van de hoofdbewoner, een huisbezoek afgelegd op het brp-adres, een verklaring opgenomen van de bewoner van het adres [adres] en is telefonisch met appellante gesproken. Van de bevindingen van het onderzoek is een rapport opgemaakt. De bewoner van het adres [adres] heeft tegenover de controleurs verklaard dat hij sinds acht jaar op dat adres woont en dat op het brp-adres alleen een man woont. De hoofdbewoner heeft tegenover de controleurs verklaard dat appellante zijn vriendin is, dat zij ongeveer twee jaar geleden met al haar spullen naar het brp-adres is verhuisd en dat zij een paar weken geleden, na een ruzie met hem, vertrokken is met medeneming van een deel van haar spullen. Hij heeft verder verklaard dat zij nu tijdelijk bij een vriendin woont, maar dat hij de naam van die vriendin niet weet en dat appellante waarschijnlijk binnenkort wel terugkeert naar het brp-adres. In de slaapkamer, die de hoofdbewoner stelt te delen met appellante, kon de hoofdbewoner geen aan appellante toebehorende spullen tonen. Desgevraagd naar andere spullen van appellante heeft de hoofdbewoner in de woonkamer twee ongeopende brieven, in de gangkast een plastic tas met wat dameskleding en een mandje met zonnebrillen, in de hal enkele damesschoenen en in de badkamer wat verzorgingsspullen aan de controleurs getoond. Appellante heeft, ongeveer een uur na afloop van het huisbezoek, telefonisch tegenover de controleurs verklaard dat zij vanwege een ruzie met haar vriend tijdelijk bij haar moeder woont, dat ze van plan is terug te keren naar het brp-adres maar dat zij nog niet weet wanneer.

1.3.

Bij besluit van 6 december 2017, heeft de minister op basis van de bevindingen van het onder 1.2 vermelde onderzoek de aan appellante toegekende studiefinanciering met ingang van 1 oktober 2015 herzien, in die zin dat zij vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Daarbij is een bedrag van € 5.383,92 van haar teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 13 april 2018 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 december 2017 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellante ten tijde van de controle niet woonde op het brp‑adres en dat appellante niet onomstotelijk heeft bewezen dat zij voor de datum van het huisbezoek wel op het brp-adres heeft gewoond.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geoordeeld heeft dat de minister aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan. De hoofdbewoner heeft de controleurs naast twee poststukken diverse persoonlijke spullen van appellante getoond.

Vastgesteld had kunnen worden dat de getoonde kleding aan appellante toebehoort nu zij en de andere vrouwelijke bewoonster van het brp-adres verschillende maten hebben. De hoofdbewoner en appellante hebben beiden verklaard dat appellante vanwege een ruzie tijdelijk was vertrokken van het brp-adres. Gelet op deze verklaringen en de overgelegde getuigenverklaringen heeft appellante voldoende tegenbewijs geleverd. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat de minister ten onrechte gebruik maakt van zijn bevoegdheid om de uitwonendentoelage over de hele periode vanaf 1 oktober 2015 te herzien.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Uitgangspunt bij een belastend besluit, zoals een hier aan de orde zijnde herziening, is dat de bewijslast in eerste instantie op het bestuursorgaan rust. De minister moet aannemelijk maken dat de studerende niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000. Uit de wettelijke systematiek, zoals beschreven in de uitspraken van de Raad van 2 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1146, en 13 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:86, vloeit voort dat de op de minister rustende bewijslast beperkt is tot het aannemelijk maken dat de studerende op een bepaald moment niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000. Is dat bewijs door de minister geleverd, dan wordt vervolgens, ingevolge de werking van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, door de wetgever vermoed dat ook in de daaraan voorafgaande periode niet is voldaan aan de verplichtingen van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000. Het wettelijk vermoeden kan worden weerlegd. Daarvoor is vereist dat de studerende bewijs levert waarmee onomstotelijk wordt bewezen dat het wettelijk vermoeden onjuist is. In dit verband worden van de studerende bewijsmiddelen verlangd die zodanig overtuigend zijn, dat zij, ook als zij in onderlinge samenhang worden bezien, de conclusie rechtvaardigen dat de studerende in (een deel van) de periode voorafgaande aan het onderzoek wel op het brp-adres moet hebben gewoond. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 23 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1246. Slaagt de studerende in dat bewijs, dan moet de minister onder toepassing van de hardheidsclausule afwijken van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 wat ertoe leidt dat over (een deel van) die periode geen grondslag bestaat voor herziening.

4.2.

Aan wat (niet) is aangetroffen tijdens het huisbezoek en de door de hoofdbewoner, appellante en de bewoner van het adres [adres] gegeven verklaringen heeft de minister terecht de conclusie verbonden dat appellante ten tijde van het huisbezoek niet woonde op het brp-adres. Wat door de hoofdbewoner aan de controleurs als eigendom van appellante getoond is verdraagt zich niet met de conclusie dat appellante slechts tijdelijk afwezig was. Bij een gesteld structureel verblijf op het brp-adres gedurende ruim twee jaar valt te verwachten dat zaken worden aangetroffen die het persoonlijke stempel van appellante dragen en die zaken zijn in het geheel niet aangetroffen. Bij een tijdelijke afwezigheid past dat minder spullen voor dagelijks gebruik, zoals bijvoorbeeld kleding, worden aangetroffen maar niet dat in de woon- en slaapkamer niets wordt aangetroffen dat naar deze persoon herleidbaar is. De verklaring van appellante ter zitting dat zij al haar spullen had meegenomen zodat ze niet gechanteerd zou kunnen worden door haar vriend en zij de resterende, door de controleurs aangetroffen, spullen vergeten was mee te nemen bij haar vertrek, wijst evenmin op een situatie van tijdelijke afwezigheid.

4.3.

Uit 4.1 volgt dat vervolgens moet worden bezien of appellante onomstotelijk heeft bewezen dat het wettelijk vermoeden onjuist is.

4.3.1.

Het leveren van bewijs mede door middel van getuigen is in dit verband mogelijk, zij het dat de verklaringen van getuigen inhoudelijk concludent moeten zijn en over de woonsituatie gedetailleerde informatie uit eigen wetenschap moeten bevatten. De verstrekte informatie mag voorts geen ruimte laten voor twijfel. Dergelijke verklaringen kunnen ook uit de naaste omgeving (“familie en vrienden”) van de studerende komen. Verklaringen van direct betrokkenen moeten wel worden ondersteund met verklaringen van objectieve derden en/of andere bewijsmiddelen. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 25 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1978.

4.3.2.

Appellante is er niet in geslaagd het verlangde bewijs te leveren. De verklaringen van de direct betrokkenen, de hoofdbewoner en appellantes kennis [naam kennis], zijn daarvoor niet voldoende. De overgelegde verklaringen van vier buren van het brp-adres, daargelaten dat wegens het ontbreken van namen bij twee van de vier verklaringen en het ontbreken van afschriften van legitimatiebewijzen niet is komen vast te staan van wie de verklaringen afkomstig zijn, bevatten geen (gedetailleerde) informatie ten aanzien van de feitelijke woonsituatie op het brp-adres. In die verklaringen wordt enkel vermeld dat zij appellante meerdere keren hebben gezien en gesprekken met haar hebben gevoerd. Een structureel verblijf op het brp-adres kan daaruit niet worden afgeleid. Die waarnemingen kunnen evengoed passen bij bezoeken van appellante aan haar vriend op het brp-adres. De bewoner van het adres [adres] heeft voorts in zijn nadere verklaring niet gesteld dat appellante wel woonde op het brp-adres. Daarnaast worden de verklaringen niet ondersteund met verifieerbare objectieve gegevens waaruit kan worden afgeleid dat betrokkene op het brp‑adres heeft gewoond. Voorts wordt een contra-indicatie gevonden in het gegeven dat in de door appellante op 18 september 2017 ondertekende praktijkovereenkomst van haar opleiding als woonadres het adres van haar moeder vermeld wordt.

4.4.

Anders dan appellante veronderstelt is de terugwerkende kracht van de herziening niet het gevolg van de uitoefening van een bevoegdheid door de minister, maar het gevolg van het door de wetgever dwingendrechtelijk voorgeschreven artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000. Nu appellante niet het onomstotelijke bewijs heeft geleverd op grond waarvan door de minister voorbij moet worden gegaan aan het wettelijk vermoeden van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 houdt de herziening en terugvordering over de periode vanaf 1 oktober 2015 in rechte stand.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2020.

(getekend) J. Brand

(getekend) H. Spaargaren