Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:973

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
18/3935 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering een WIA-uitkering toe te kennen. Zorgvuldig medisch onderzoek. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3935 WIA

Datum uitspraak: 17 april 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 14 juni 2018, 18/365 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kaya. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als afdelingsverantwoordelijke. Op
10 november 2014 heeft zij zich, vanuit een werkloosheidssituatie, ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellante het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 december 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 4 januari 2017 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 7 november 2016 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 11 januari 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep het medisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit op juiste en zorgvuldige wijze hebben verricht. De medische informatie is bij de beoordeling betrokken en heeft geleid tot beperkingen in de FML. Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat haar beperkingen zijn onderschat. Voor zover de klachten van appellante medisch objectiveerbaar zijn, zijn deze voldoende meegewogen. Uitgaande van de juistheid van de FML zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies passend. De mate van arbeidsongeschiktheid per 7 november 2016 is terecht vastgesteld op minder dan 35% zodat er terecht geen WIA-uitkering is toegekend.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar cognitieve klachten en haar vermoeidheidsklachten onvoldoende zijn meegewogen en dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen. Zij heeft voorts nadere stukken ingediend, waaronder een verslag van GZ-psycholoog N.M.J.L. Meesters van 12 februari 2020, een verslag van psychiater drs. P.H.M. de Wit van 1 maart 2019 en een beschikking van de gemeente [woonplaats] waarin is vastgesteld dat appellante van 25 maart 2019 tot 22 maart 2020 ondersteuning krijgt.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 7 november 2016 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen.

4.3.

De overwegingen van de rechtbank over de zorgvuldigheid van de medische beoordeling worden onderschreven.

4.4.

Appellante wordt evenmin in haar standpunt gevolgd dat de beperkingen zijn onderschat. Uit het gemotiveerde rapport van de verzekeringsarts bij deze WIA-beoordeling blijkt dat bij het opstellen van de FML van 15 december 2016 rekening is gehouden met alle, medisch te objectiveren, klachten. Daarbij heeft de verzekeringsarts de psychische problematiek van appellante onderkend door forse beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren op te nemen voor onder meer stresserende aspecten, verhoogd persoonlijk risico en conflicthantering. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij zijn oordeelsvorming de informatie van Roessingh, de fysiotherapeut, de gynaecoloog, de revalidatiearts, de orthopedisch chirurg, de KNO-arts en de huisartsen genoegzaam meegewogen en is tot de conclusie gekomen dat er geen reden is om tot een ander oordeel te komen dan de primaire arts. Beide verzekeringsartsen hebben bij hun onderzoek geen signalen waargenomen van cognitieve stoornissen bij appellante. Tevens is afdoende gemotiveerd dat bij appellante geen sprake is van een medische aandoening die noodzaakt tot het aannemen van cognitieve beperkingen. Daar komt bij dat appellante voor haar psychische klachten op de datum in geding niet onder behandeling stond. Van een noodzaak om een duurbeperking of een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden aan te nemen is evenmin gebleken. De verzekeringsartsen hebben ook op dit punt de in de FML van 15 december 2016 opgenomen beperkingen met inachtneming van de toepasselijke standaarden overtuigend onderbouwd. De informatie die appellante in hoger beroep heeft overgelegd gaat over behandelingen die zijn gestart in maart 2019 en ziet dus op haar situatie geruime tijd na de datum in geding. Voor zover appellante meent dat haar situatie na 7 november 2016 is verslechterd, wordt er ten overvloede – en zoals ter zitting besproken – op gewezen dat zij bij het Uwv een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid kan doen.

4.5.

Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in een rapport van 11 januari 2018 inzichtelijk en overtuigend beargumenteerd dat in de geselecteerde functies geen sprake is van overschrijding van de belastbaarheid.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van H.S. Huisman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2020.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) H.S. Huisman