Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:969

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2020
Datum publicatie
17-04-2020
Zaaknummer
19/1567 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk ontslag. Plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19/1567 AW

Datum uitspraak: 16 april 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 25 februari 2019, 18/2234 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Justitie en Veiligheid (Minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.M.A. Bruls-van Strien, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bruls-van Strien. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.M. Kauffman, P.H.C.M. van Engelen en H.L. Vriesema.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is sinds 1 maart 2007 werkzaam bij de [dienst] , laatstelijk in de functie van [functie] bij de unit [unit] , standplaats [gemeente 1] . Appellante is op 18 juni 2012 uitgevallen wegens ziekte.

1.2.

Op 6 maart 2017 is met appellante een gesprek gevoerd, waarin haar informatie is voorgelegd op grond waarvan de minister het vermoeden heeft dat appellante zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Appellante heeft schriftelijk gereageerd op deze informatie.

1.3.

Na een voornemen daartoe, waarop appellante haar zienswijze heeft gegeven, heeft de minister appellante bij besluit van 6 juni 2017 met ingang van 1 juni 2017 primair de disciplinaire straf van ontslag opgelegd op grond van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) en subsidiair ontslag verleend op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid wegens ziekte op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f van het ARAR. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 19 maart 2018 ongegrond verklaard.

1.4.

De minister heeft aan de disciplinaire straf van ontslag ten grondslag gelegd dat appellante zich schuldig heeft gemaakt aan de volgende, als plichtsverzuim aangemerkte gedragingen:

- het houden van vakanties zonder verlof te vragen aan haar leidinggevende;

- het voeren van een bedrijf in Marokkaanse gelegenheidskleding en andere bedrijfsactiviteiten zonder toestemming voor deze nevenfunctie te vragen;

- handelen in strijd met de re-integratieverplichtingen en handelen in strijd met wat van appellante in verband met haar arbeidsongeschiktheid verwacht had mogen worden door niet beschikbaar voor haar werkzaamheden te zijn en haar herstel mogelijk te schaden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag ongegrond verklaard. Op basis van de beschikbare onderzoeksgegevens, met name de combinatie van de berichten en foto’s op de facebookaccounts van zowel appellante als [naam bedrijf] , heeft de rechtbank de overtuiging verkregen dat appellante nevenwerkzaamheden heeft verricht door het voeren van het bedrijf [naam bedrijf] en het beheren van de daarbij behorende facebookpagina. Hierbij is vooral relevant dat het bedrijf is vernoemd naar de dochter van appellante, dat de vestigingsplaats de woonplaats van appellante is, beide facebookaccounts veel foto’s bevatten van appellante en haar dochter en dat op het facebookaccount van het bedrijf als contactnummer het telefoonnummer van appellante is vermeld zoals zij dat aan haar werkgever heeft doorgegeven. De betwisting door appellante van het verrichten van nevenwerkzaamheden leidt bij de rechtbank niet tot twijfel. De rechtbank acht de stelling van appellante dat het bedrijf van haar zus is, niet geloofwaardig. Verder is de rechtbank van oordeel dat uit de onderzoeksbevindingen, met name het facebookaccount, overtuigend naar voren komt dat appellante vakanties en uitstapjes (ook ten behoeve van het bedrijf [naam bedrijf] ) heeft gemaakt, zonder dat daarvoor toestemming was verleend door haar leidinggevende en /of dat dit was afgestemd met de bedrijfsarts. Niet in geschil is dat appellante in mei 2016 in Turkije heeft verbleven. Verder acht de rechtbank aannemelijk dat appellante in de periode 28 november 2014 tot en met 5 december 2014 en in maart 2015 in Marokko heeft verbleven en daar ook op 5 januari 2017 was. De door appellante overgelegde stukken sluiten dit niet uit. De rechtbank is van oordeel dat de minister de gedragingen terecht heeft gekwalificeerd als (zeer ernstig) plichtsverzuim. Redenen om dit plichtsverzuim niet toerekenbaar te achten zijn niet gesteld of gebleken. Ten slotte acht de rechtbank de straf van ontslag niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt vast dat appellante in hoger beroep in essentie de door haar in beroep aangevoerde gronden heeft herhaald. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak uitgebreid besproken en gemotiveerd verworpen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ook voor de Raad is geen andere conclusie mogelijk dan dat appellante tijdens haar arbeidsongeschiktheid werkzaamheden heeft verricht voor het bedrijf [naam bedrijf] .

4.2.

De door appellant overgelegde e-mails en facebookberichten brengen geen verandering in deze conclusie. Hiervoor is van betekenis dat deze overgelegde gegevens dateren van na het moment waarop appellante in kennis is gesteld van het vermoeden van plichtsverzuim.

4.3.

Wat betreft de verklaring van de arts heeft de rechtbank terecht overwogen dat daaruit niet blijkt dat appellante, zoals zij stelt, op 5 januari 2017 voor een behandeling in Parijs was. Het in de verklaring opgenomen adres is een adres in [gemeente 2] (Marokko). Deze plaats is ook genoemd voorafgaand aan de datum van de verklaring.

4.4.

De Raad heeft het door appellante aangekondigde nader bewijs waaruit zou moeten blijken dat het bedrijf op naam van de zuster van appellante staat, niet ontvangen. Dat appellante beletselen ervaart om dit bewijs te vergaren, komt voor haar rekening.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van D. Bakker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2020.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) D. Bakker