Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:964

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2020
Datum publicatie
17-04-2020
Zaaknummer
19/2023 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op de achtergrond van de Uitkeringsregeling Backpay deelt de Raad niet het standpunt van appellant dat op de Nederlandse Staat in juridische zin de verplichting rust tot betaling van de tijdens de Japanse bezetting niet uitbetaalde salarissen. Dit volgt ook niet uit de hiervoor vermelde volledige naam van de Uitkeringsregeling Backpay. De Uitkeringsregeling Backpay vindt geen grondslag in enig wettelijk voorschrift en heeft daarmee het karakter van buitenwettelijk, begunstigend beleid. Beperkte rechterlijke toetsing. De Raad stelt vast dat de minister de aanvraag van appellant in overeenstemming met het in de Uitkeringsregeling Backpay neergelegde beleid heeft afgewezen op de grond dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de belanghebbende - de grootvader van appellant, [naam grootvader] - op 15 augustus 2015 in leven was. Beleid minister is redelijk, vaste rechtspraak en er is verder geen aanleiding voor het oordeel dat de minister zijn beleid niet consistent heeft toegepast. Geen aanleiding voor een meer indringende toetsingsmaatstaf nu sprake is van buitenwettelijk begunstigend beleid. Van schending van fundamentele rechten, in het bijzonder een schending van het discriminatieverbod, is in dit geval geen sprake. Geen aanleiding om, zoals namens appellant is verzocht, prejudicieel advies in te winnen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Ook de stelling dat een belangenafweging op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb had moeten plaatsvinden, wordt niet gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/221
NJB 2020/1082
JB 2020/119
USZ 2020/157
TAR 2020/84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19/2023 AW

Datum uitspraak: 16 april 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

27 maart 2019, 18/5919 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (Indonesië) (appellant)

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.R. Kellerman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2020. Appellant en zijn gemachtigde - de laatste met voorafgaand bericht - zijn niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

Op verzoek van appellant zijn ter zitting verschenen en als getuigen gehoord

[naam 1] en [naam 2] , beiden wonende te [gemeente] .

OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop geen aanleiding te zien het kort voor de zitting gedane verzoek om uitstel van de behandeling ter zitting, dan wel om aanhouding van de zaak na afloop daarvan, in te willigen. Appellant was, blijkens de uitnodigingsbrief van 21 november 2019, reeds geruime tijd op de hoogte van de datum waarop de zitting zou plaatsvinden en voorts acht de Raad zich door de onderliggende gedingstukken voldoende voorgelicht.

1.1.

Op 28 september 2017 heeft appellant als erfgenaam van zijn grootvader, [naam grootvader] , een aanvraag ingediend om toekenning van een eenmalige uitkering op grond van de Regeling van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 december 2015, houdende regels met betrekking tot het toekennen van een eenmalige uitkering aan hen die als ambtenaar of militair ten tijde van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië in dienst waren van het Nederlands-Indisch Gouvernement en aan wie gedurende deze periode geen dan wel onvolledig salaris is uitbetaald (Uitkeringsregeling Backpay), Stcrt. 2015, nr. 47434. [naam grootvader] is als militair werkzaam geweest bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) in het toenmalige Nederlands-Indië en is overleden op 19 oktober 1981.

1.2.

Bij besluit van 18 oktober 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 juli 2018 (bestreden besluit), heeft de minister deze aanvraag afgewezen. Daartoe heeft de minister het volgende overwogen. Om als erfgenaam aanspraak te kunnen maken op de eenmalige uitkering op grond van de Uitkeringsregeling Backpay (eenmalige uitkering) moest de belanghebbende, [naam grootvader] , op 15 augustus 2015 nog in leven zijn. Belanghebbende is echter vóór die datum overleden. Alleen al om deze reden komt appellant niet in aanmerking voor de eenmalige uitkering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 11 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1, ECLI:NL:CRVB:2018:2 en ECLI:NL:CRVB:2018:3 - vooropgesteld dat de Uitkeringsregeling Backpay, die geen grondslag vindt in enig wettelijk voorschrift, het karakter heeft van buitenwettelijk, begunstigend beleid. De bestuursrechter dient het bestaan en de inhoud van dergelijk beleid als een gegeven te aanvaarden en de rechterlijke toetsing is beperkt tot de vraag of het bestuursorgaan het beleid consistent heeft toegepast. Hieruit volgt dat de bestuursrechter niet kan treden in de beoordeling van de vraag of het in de Uitkeringsregeling Backpay neergelegde beleid, met inbegrip van de keuze om de peildatum op 15 augustus 2015 te stellen, redelijk is (uitspraak van de Raad van 11 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2553). De rechtbank heeft ten slotte geen grond gezien voor het oordeel dat de uitspraken van de Raad van 11 januari 2018 in strijd zijn te achten met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep, samengevat weergegeven, aangevoerd dat de in de Uitkeringsregeling Backpay opgenomen peildatum in strijd is met het discriminatieverbod zoals neergelegd in artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Volgens appellant is een verboden onderscheid naar leeftijd gemaakt. De Uitkeringsregeling Backpay is niet rechtvaardig tegenover nabestaanden van ex-KNIL militairen die vóór 15 augustus 2015 zijn overleden en in een identieke situatie verkeren, maar geen uitkering krijgen. Appellant heeft naar voren gebracht dat de rechtspraak van de Raad in soortgelijke zaken in strijd is te achten met het recht op een eerlijk proces als neergelegd in artikel 6 van het EVRM, voor zover in deze rechtspraak besloten ligt dat er geen ruimte is voor beoordeling van het standpunt van betrokkenen dat het in de Uitkeringsregeling Backpay opgenomen beleid in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Appellant heeft voorts betoogd dat door de gehanteerde leeftijdsgrens sprake is van een schending van het in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel. Appellant heeft ten slotte betoogd dat de weigering van de minister om hem een eenmalige uitkering toe te kennen in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

3.2.

De minister heeft - kort gezegd - bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het kader, de van toepassing zijnde regelgeving en de achtergrond van de Uitkeringsregeling Backpay verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 11 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1 tot en met ECLI:NL:CRVB:2018:3.

4.2.

Gelet op de achtergrond van de Uitkeringsregeling Backpay deelt de Raad niet het standpunt van appellant dat op de Nederlandse Staat in juridische zin de verplichting rust tot betaling van de tijdens de Japanse bezetting niet uitbetaalde salarissen. Dit volgt ook niet uit de hiervoor onder 1.1 vermelde volledige naam van de Uitkeringsregeling Backpay. Daarin staat immers dat het gaat om regels voor toekenning van een eenmalige uitkering en niet om regels voor uitbetaling van salarisclaims.

4.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (onder meer in de onder 4.1 genoemde uitspraken van 11 januari 2018) vindt de Uitkeringsregeling Backpay geen grondslag in enig wettelijk voorschrift. Daarmee heeft de Uitkeringsregeling Backpay het karakter van buitenwettelijk, begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV9383) dient de bestuursrechter het bestaan en de inhoud van dergelijk beleid als een gegeven te aanvaarden en is de rechterlijke toetsing beperkt tot de vraag of het bestuursorgaan het beleid consistent heeft toegepast.

4.4.

De Raad stelt vast dat de minister de aanvraag van appellant in overeenstemming met het in de Uitkeringsregeling Backpay neergelegde beleid heeft afgewezen op de grond dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de belanghebbende - de grootvader van appellant,

[naam grootvader] - op 15 augustus 2015 in leven was. Uit de onder 4.3 genoemde toetsingsmaatstaf volgt dat de bestuursrechter niet kan treden in de beoordeling van de vraag of het in de Uitkeringsregeling Backpay neergelegde beleid, met inbegrip van de keuze om de peildatum op 15 augustus 2015 te stellen, redelijk is (uitspraak van de Raad van 11 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2553). Er is verder geen aanleiding voor het oordeel dat de minister zijn beleid niet consistent heeft toegepast.

4.5.

In wat appellant heeft aangevoerd is geen reden gelegen om daarover thans anders te oordelen. Appellant heeft betoogd dat de Raad een meer indringende toetsingsmaatstaf aan zou moeten leggen. Hij heeft in dit verband verwezen naar de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal mr. R.J.G.M. Widdershoven (22 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3557), die vooraf is gegaan aan de uitspraken van de Raad van 1 juli 2019 over de exceptieve toetsing van algemeen verbindende voorschriften (zie o.a. ECLI:NL:CRVB:2019:2016 en ECLI:NL:CRVB:2019:2017). Dit betoog slaagt echter niet. Zoals volgt uit 4.3 betreft de Uitkeringsregeling Backpay geen algemeen verbindend voorschrift, maar buitenwettelijk begunstigend beleid. Genoemde conclusie en de uitspraken van de Raad van 1 juli 2019 zijn in het hier voorliggende geval dan ook niet van betekenis.

4.6.

De hier aan te leggen - onder 4.3 weergegeven - toetsingsmaatstaf betekent niet dat indien sprake is van een schending van fundamentele rechten, de rechter hieraan geen gevolgen zou mogen en moeten verbinden, maar van een dergelijke schending, in het bijzonder een schending van het discriminatieverbod, is in dit geval geen sprake. Het betoog van appellant, dat de weigering van de minister om appellant een eenmalige uitkering toe te kennen in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, bouwt daarnaast voort op de - blijkens 4.1 - onjuiste veronderstelling dat op de Nederlandse Staat in juridische zin de verplichting rust tot terugbetaling van de tijdens de Japanse bezetting niet uitbetaalde salarissen. Het betoog kan reeds hierom geen doel treffen. Er bestaat geen aanleiding om, zoals namens appellant is verzocht, prejudicieel advies in te winnen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

4.7.

Appellant kan evenmin worden gevolgd in zijn stelling dat een belangenafweging op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb had moeten plaatsvinden. Vergelijk de uitspraken van de Raad van 28 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2564 en van 14 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1850.

4.8.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van gronden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en

M.A.H. van Dalen-van Bekkum en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van

I.A. Siskina als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2020.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) I.A. Siskina