Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:947

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2020
Datum publicatie
16-04-2020
Zaaknummer
17/6161 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling WIA-dagloon. Het Uwv is op grond van artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen voor de vaststelling van het dagloon terecht uitgegaan van 156 loondagen. Het WIA-dagloon is door het Uwv op een juiste wijze berekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0455
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/6161 WIA

Datum uitspraak: 15 april 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 1 augustus 2017, 16/4097 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade.

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.J. Smeets, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is van 26 oktober 2010 tot en met 24 januari 2011 werkzaam geweest als

pakketbezorger bij [BV] Van 1 maart 2011 tot en met 29 februari 2012 was hij als planner/sorteerder in dienst van [VOF] Appellant is op 8 juni 2011 wegens ziekte uitgevallen voor zijn werkzaamheden en zijn dienstverband is met ingang van 1 maart 2012 beëindigd. Het Uwv heeft appellant met ingang van 1 maart 2012 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Het ZW-dagloon is vastgesteld op € 43,14.

1.2.

Het Uwv heeft aan appellant met ingang van 5 juni 2013 een WGA-vervolguitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Het WIA-dagloon is vastgesteld op € 32,93. Daarbij is het Uwv uitgegaan van een referteperiode van 1 juni 2010 tot en met 31 mei 2011. Omdat de eerste dag waarop appellant in deze referteperiode in dienstbetrekking stond is gelegen op 26 oktober 2010, heeft het Uwv het dagloon berekend over de periode van 26 oktober 2010 tot en met 31 mei 2011. Deze periode telt 156 loondagen.

1.3.

Appellant heeft op 27 september 2015 een wijziging van zijn gezondheidssituatie

aan het Uwv doorgegeven. Bij besluit van 22 augustus 2016 heeft het Uwv met ingang van 29 september 2014 een IVA-uitkering toegekend aan appellant. Het maandloon is vastgesteld op € 729,06, uitgaande van een WIA-dagloon van € 33,52. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het vastgestelde WIA-dagloon. Bij besluit van 9 november 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 augustus 2016 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv op grond van artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) voor de vaststelling van het dagloon terecht is uitgegaan van 156 loondagen. Het WIA-dagloon is door het Uwv volgens de rechtbank op een juiste wijze berekend. De door appellant voorgestane berekeningen ontberen, aldus de rechtbank, een wettelijke grondslag.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat strikte toepassing van het Dagloonbesluit leidt tot een zodanige inkomensdaling dat de bedoeling van de wetgever om op grond van de Wet WIA een inkomen te garanderen van tenminste 70% van het laatstverdiende loon bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100% wordt verlaten. Appellant heeft hierbij verwezen naar een door hem bijgevoegd krantenartikel. De periode vanaf 26 oktober 2010 tot 1 maart 2011 dient buiten de berekening van het dagloon te worden gelaten, omdat appellant in deze periode op basis van een oproepcontract bij [BV] slechts een gering aantal dagen feitelijk heeft gewerkt en dus weinig loon heeft ontvangen en daarnaast recht had op (aanvullende) bijstand, welk bedrag niet wordt meegenomen bij de berekening van het dagloon. Volgens appellant moet bij de dagloonberekening alleen worden uitgegaan van het loon van zijn laatste dienstverband bij [VOF] , gedeeld door het aantal loondagen in dat dienstverband. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat moet worden uitgegaan van het ZW-dagloon van € 43,14.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA wordt voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte die tot volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid heeft geleid, is ingetreden.

4.1.2.

Op grond van artikel 13, derde lid, van de Wet WIA worden bij algemene maatregel van bestuur met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld. Deze regels zijn gesteld bij het Dagloonbesluit. Voor dit geding is van toepassing het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen, zoals dat luidt met ingang van 1 juni 2013 (Dagloonbesluit, Stb. 2013, 185).

4.1.3.

Het maandloon bedraagt op grond van artikel 13, vierde lid, aanhef en onder a van de Wet WIA, indien recht op een uitkering bestaat over een volledige kalendermaand, 21,75 maal het dagloon.

4.1.4.

Op grond van artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt onder refertejaar verstaan de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden.

4.1.5.

Op grond van artikel 14 van het Dagloonbesluit wordt onder loon verstaan het loon in de zin van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen. In artikel 15 van het Dagloonbesluit is bepaald dat de werknemer geacht wordt zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover een werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.

4.1.6.

Op grond van artikel 16 van het Dagloonbesluit is – samengevat – als hoofdregel bepaald dat het dagloon van uitkeringen op grond van de Wet WIA de uitkomst is van de berekening van het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten bij een werkgever gedeeld door 261.

4.1.7.

Een uitzondering op de hoofdregel van artikel 16 van het Dagloonbesluit is geregeld in artikel 18 van het Dagloonbesluit, de zogenoemde startersregeling. Op grond van artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt het dagloon van de werknemer die vanaf de aanvang van het refertejaar tot en met de laatste dag van het eerste volledige aangiftetijdvak van dat jaar geen loon als bedoeld in artikel 14 of 15 heeft genoten, vastgesteld door bij de toepassing van artikel 16, eerste lid, «261» te vervangen door: het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot en met de laatste dag van het refertejaar.

4.2.

De voor de bepaling van het dagloon gehanteerde referteperiode van 1 juni 2010 tot en met 31 mei 2011 is niet in geschil. De door het Uwv berekende uitkomst van het dagloon met toepassing van artikel 18 van het Dagloonbesluit is als zodanig evenmin bestreden. Appellant meent evenwel dat die toepassing in zijn geval geen recht doet aan de bedoeling van de wetgever en wenst dat dagen waarop in de referteperiode niet of nauwelijks is gewerkt, buiten beschouwing worden gelaten en alleen werkzaamheden bij [VOF] worden meegenomen.

4.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 17 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:170) heeft het begrip “de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen” in artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit betrekking op de eerste dag van de eerste dienstbetrekking in het refertejaar waaruit de werknemer loon heeft genoten, met andere woorden: de dienstbetrekking in het refertejaar waarin de werknemer is gestart of is heringetreden. Het Uwv heeft deze dag in overeenstemming hiermee bepaald op 26 oktober 2010, de aanvang van de dienstbetrekking met [BV] Zodoende is het Uwv uitgegaan van 156 loondagen in plaats van 261 loondagen bij de berekening van het WIA-dagloon.

4.4.

Het standpunt van appellant dat 1 maart 2011, de dag waarop het dienstverband bij [VOF] is aangevangen, als eerste dagloondag moet worden aangemerkt komt er op neer, zoals eveneens overwogen in de uitspraak van 17 januari 2018, dat op die datum weer een nieuwe startperiode zou beginnen tijdens het refertejaar. Noch de tekst van artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit noch de strekking daarvan bieden daarvoor aanknopingspunten. Het feit dat appellant in de periode van 26 oktober 2010 tot 1 maart 2011 weinig loon en een bijstandsuitkering heeft ontvangen leidt, gelet op de duidelijke tekst van artikel 18 van het Dagloonbesluit, niet tot een ander oordeel. In dit verband wordt verwezen naar de rechtspraak van de Raad over artikel 6, eerste lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Stb. 2005, 546), dat materieel overeenkomt met artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit (zie de uitspraak van 19 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8062, genoemd in de uitspraak van 17 januari 2018). De beroepsgrond van appellant om de berekeningsperiode voor het vaststellen van het dagloon te laten ingaan op 1 maart 2011 kan dan ook niet slagen.

4.5.

De beroepsgrond dat deze toepassing van het Dagloonbesluit in strijd is met de bedoeling van de Wet WIA om bij volledige arbeidsongeschiktheid een uitkering te garanderen van ten minste 70% van het laatst verdiende loon, slaagt niet. Het laatst verdiende loon is blijkens artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA, het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte die tot de arbeidsongeschiktheid heeft geleid, is ingetreden. De uitwerking die aan dit loonbegrip is gegeven in artikel 18 van het Dagloonbesluit, is daarmee niet in strijd.

4.6.

Het door appellant overgelegde krantenartikel, dat betrekking heeft op een uitspraak van de Raad van 19 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2406, kan niet tot een ander oordeel leiden. In deze uitspraak werd geoordeeld dat ziekte van een werknemer, waarbij in het tweede ziektejaar het loon niet volledig werd doorbetaald, niet mag leiden tot een lagere WW-uitkering. Een dergelijk situatie is bij appellant niet aan de orde. Ook ging het in deze uitspraak niet om het WIA-dagloon.

4.7.

Ook de subsidiaire beroepsgrond van appellant dat moet worden uitgegaan van het ZW-dagloon slaagt niet. Het Uwv heeft toegelicht dat het ZW-dagloon op onjuiste wijze was vastgesteld vanwege dubbel getelde overuren. Niet in geschil is dat bij de berekening van het WIA-dagloon het Uwv is uitgegaan van het juiste sv-loon.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet op dit oordeel wordt het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en E. Dijt en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van E.M. Welling als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2020.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) E.M. Welling