Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:940

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2020
Datum publicatie
20-04-2020
Zaaknummer
19/2929 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken na opschorten. Niet inleveren bankgegevens. Verwijtbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19/2929 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 14 april 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 22 mei 2019, 18/2953 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. van de Wiel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2020. Namens appellante is verschenen mr. J. van de Wiel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
J.C.N. van Dijk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 17 maart 2017 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand heeft het college appellante bij brief van 16 juli 2018 uitgenodigd voor een gesprek op 7 augustus 2018. Appellante is verzocht tijdens dit gesprek een aantal gegevens mee te nemen, waaronder bankafschriften van alle op naam van appellante en op naam van haar minderjarige kinderen staande bank- en spaarrekeningen over de periode vanaf 6 juli 2018, waarbij het meest recente saldo zichtbaar moet zijn (bankafschriften).

1.3.

Tijdens het gesprek op 7 augustus 2018 heeft appellante een aantal gegevens overgelegd.

1.4.

Bij besluit van 10 augustus 2018 (opschortingsbesluit) heeft het college met ingang van 7 augustus 2018 het recht op bijstand van appellante opgeschort omdat appellante niet alle bij brief van 16 juli 2018 gevraagde gegevens heeft overgelegd. Het college heeft daarbij vermeld welke gegevens nog ontbreken, waaronder de bankafschriften, en appellante in de gelegenheid gesteld deze uiterlijk op 24 augustus 2018 in te leveren.

1.5.

Appellante heeft op 24 augustus 2018 een aantal gegevens overgelegd. Onder meer de bankafschriften heeft appellante echter niet overgelegd.

1.6.

Bij besluit van 28 augustus 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 november 2018 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW met ingang van 7 augustus 2018 ingetrokken. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellante de gevraagde bankafschriften niet heeft overgelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand met ingang van 7 augustus 2018 in rechte stand kan houden.

4.2.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van

artikel 54, vierde lid, van de PW bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan

of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

4.3.

De door het college bij het opschortingsbesluit aan appellante gevraagde bankafschriften zijn gegevens die van belang zijn voor de verlening van bijstand. Het staat vast dat appellante deze gegevens niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft verstrekt. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij binnen de gestelde termijn niet over die gegevens heeft kunnen beschikken. Dat appellante de bankafschriften in bezwaar wel heeft overgelegd, maakt volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 4 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:857) niet dat hiermee het verzuim is hersteld.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het college bevoegd was tot intrekking van de bijstand. De beroepsgrond van appellante dat het college, gelet op haar medische situatie, in redelijkheid niet van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik kon maken, slaagt niet. Appellante is, ondanks de moeilijke situatie in haar leven waarin zij zich bevond, in staat geweest een groot deel van de door het college gevraagde gegevens wel binnen de door het college gestelde termijn te overleggen. Niet valt in te zien waarom zij dan niet de gevraagde bankafschriften binnen die termijn kon overleggen. Uit de door appellante overgelegde informatie van haar medische behandelaars blijkt niet dat zij hiertoe niet in staat was.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van I.A. Siskina als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2020.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) I.A. Siskina