Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:938

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2020
Datum publicatie
20-04-2020
Zaaknummer
18/2109 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen ruimte voor afstemming op grond van artikel 18 PW. Appellant heeft geen aanspraak ten aanzien van kosten die niet hemzelf betreffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/ 2109 PW

Datum uitspraak: 14 april 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 5 april 2018, 17/1769 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] en [appellante] , beiden te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Venray (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R. Akkaya, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek gedaan om veroordeling tot vergoeding van schade.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 11 augustus 2016 is aan appellanten op grond van de Participatiewet (PW) bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering toegekend voor de periode van 26 juli 2016 tot en met 31 december 2016. Het ging hierbij om een bedrag van € 172,83 per maand en een eenmalig bedrag van € 754,29 voor intakekosten.

1.2.

Bij besluit van 4 januari 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 juni 2017 (bestreden besluit), heeft het college de bijzondere bijstand van appellante met ingang van 27 september 2016 ingetrokken, omdat zij vanaf die datum niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. Appellant ontvangt vanaf 27 september 2016 bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering voor een alleenstaande met problematische schulden, tot een bedrag van € 144,02 per maand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellanten hebben aangevoerd dat het college op grond van artikel 18 van de PW de bijzondere bijstand dient af te stemmen op de individuele situatie van appellant. Appellant heeft te maken met daadwerkelijke kosten van bewindvoering, zowel voor hem als voor appellante ter hoogte van € 172,83.

4.2.

Voor toepassing van artikel 18 van de PW bestaat in dit geval echter geen ruimte. De door de bewindvoerder in rekening gebrachte kosten betreffen weliswaar kosten voor bewindvoering van zowel appellant als van appellante, maar aan kosten die niet hemzelf betreffen kan appellant geen aanspraak op bijzondere bijstand ontlenen. Dat de kosten van appellante wel bij appellant in rekening zijn gebracht, maakt het voorgaande niet anders. Vergelijk de uitspraak van 19 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2782.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop is het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade niet voor toewijzing vatbaar.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2020.

(getekend) M. Hillen

(getekend) R.B.E. van Nimwegen