Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:918

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-04-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
18/4464 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herbeoordeling. Beëindiging WIA-uitkering. Gronden geven geen aanleiding om het ter zitting bij de Raad herhaalde verzoek om een deskundige in te schakelen, te honoreren. Geschikt geacht voor drie voorgehouden functies. Op basis van de mediane loonwaarde van deze drie functies is onveranderd een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35 aan de orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4464 WIA

Datum uitspraak: 9 april 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 juli 2018, 17/3984 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.M.S. Koot, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2020. Namens appellant is verschenen mr. U. Arslan, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J. van Riet.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als tuinbouwmedewerker voor 38 uur per week. Op 21 december 2005 heeft appellant, terwijl hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, zich ziek gemeld met psychische klachten. Na afloop van de wachttijd is hem met ingang van 19 december 2007 op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) een loongerelateerde uitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Met ingang van 19 december 2010 is de WIA-uitkering voortgezet als WGA-loonaanvullingsuitkering.

1.2.

In het kader van een herbeoordeling is appellant op het spreekuur van een verzekeringsarts onderzocht. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 november 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 22 december 2015 heeft het Uwv bepaald dat de WGA-loonaanvullingsuitkering ongewijzigd wordt voortgezet. Daarbij is tevens bepaald dat deze uitkering wordt beëindigd met ingang van 1 januari 2018.

1.3.

In bezwaar is appellant op verzoek van een verzekeringsarts bezwaar en beroep onderzocht door de psychiater dr. D. Cohen. Op 10 oktober 2016 heeft deze psychiater rapport uitgebracht. Vervolgens is de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 12 oktober 2016 tot de conclusie gekomen dat de FML aanpassing behoeft. In een rapport van 23 november 2016 is een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep tot de conclusie gekomen dat een viertal voor appellant geselecteerde functies niet geschikt meer voor hem zijn. Hij heeft vier nieuwe functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 35%. Nadat het Uwv appellant dit rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep had toegezonden, heeft appellant een rapport van psychiater M. Kazemier van 25 januari 2017 ingebracht. Daarop heeft psychiater Cohen desgevraagd met een brief van 21 april 2017 gereageerd. In een rapport van 26 april 2017 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgesteld dat de door hem op 12 oktober 2016 vastgestelde FML van toepassing blijft. Bij besluit van 3 mei 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 december 2015 ongegrond verklaard en bepaald dat de WIA-uitkering van appellant met ingang van twee maanden en een dag na dagtekening van dit besluit – te weten per 4 juli 2017 – wordt beëindigd.

2. In beroep heeft de rechtbank de psychiater J.K. van der Veer als deskundige benoemd. Nadat deze psychiater appellant had onderzocht heeft hij in een rapport van 12 februari 2018 laten weten dat hij op basis van zijn onderzoek geen uitspraak kan doen of er met appellant in psychiatrische zin iets aan de hand is. Het getoonde gedrag is niet te duiden als passend bij een bekende psychiatrische aandoening. Hij heeft in overweging gegeven om appellant op een (neuro)psychiatrische ouderenafdeling ter observatie van zijn gedrag op te nemen.

3.1.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat naar vaste rechtspraak als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. In dit specifieke geval heeft de deskundige geen diagnose kunnen stellen omdat appellant op geen enkele manier heeft meegewerkt aan het onderzoek, terwijl het getoonde gedrag niet te duiden is als passend bij een bekende psychiatrische stoornis. Echter, het niet kunnen vaststellen van een depressie of een andere psychiatrische aandoening ligt in het verlengde van de beoordeling van Cohen. Deze psychiater, die door het Uwv in bezwaar is geraadpleegd, heeft immers aangegeven dat het door hem verrichte onderzoek diverse inconsistenties toont en dat de klachtenpresentatie op meerdere punten atypisch is en niet passend bij bekende pathofysiologische patronen binnen de psychiatrie. De door de rechtbank benoemde deskundige is min of meer tot dezelfde conclusie gekomen. Daarom geeft het rapport van deze deskundige onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de psychische belastbaarheid van appellant, zoals die door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is weergegeven in de FML. Het vorenstaande heeft de rechtbank tot de conclusie gebracht dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. Om deze reden heeft de rechtbank het verzoek van appellant om nogmaals een deskundige te benoemen afgewezen.

3.2.

Wat betreft de suggestie van de deskundige om appellant ter observatie op te laten nemen op een (neuro)psychiatrische ouderenafdeling heeft de rechtbank overwogen dat daarvan het doel is om alsnog een diagnose vast te stellen en om het niveau van functioneren en behandelmogelijkheden te beoordelen. De duur van de opname zou minimaal zes weken moeten zijn. Een dergelijk uitvoerig onderzoek gaat naar het oordeel van de rechtbank het kader van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling te buiten. Afgezien daarvan is gebleken dat de familie van appellant tot dusverre niet bereid is gebleken om appellant aan een dergelijk onderzoek te onderwerpen. De rechtbank heeft hierom de suggestie van de deskundige niet gevolgd.

3.3.

Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant geschikt is de voor de geselecteerde functies. Aangezien appellant met deze functies 65% van het voor hem geldende maatmanloon kan verdienen, heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

4.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat hij meer beperkingen heeft. Voorts heeft hij gesteld dat de functies van inpakker en productiemedewerker voedingsmiddelen niet geschikt voor hem zijn. In de functie van inpakker moet hij kunnen communiceren in de Nederlandse of Engelse taal en in de functie van productiemedewerker voedingsmiddelen moet hij een interne praktijktraining en een cursus HACCP volgen. Aan deze eisen voldoet appellant niet en daarom kunnen deze functies niet aan de schatting ten grondslag worden gelegd.

4.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

5. De Raad oordeelt als volgt.

5.1.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het rapport van de deskundige Van der Veer onvoldoende aanknopingspunten biedt voor twijfel aan de psychische belastbaarheid van appellant, zoals die door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is weergegeven in de FML. De overwegingen van de rechtbank op dit punt worden geheel onderschreven. De in hoger beroep naar voren gebrachte medische gronden verschillen niet wezenlijk van de eerdere in de procedure naar voren gebrachte gronden en geven geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Evenmin geven die gronden aanleiding om het ter zitting bij de Raad herhaalde verzoek om een deskundige in te schakelen, te honoreren.

5.2.

Wat betreft de geschiktheid van appellant voor de aan het bestreden besluit gelegde functie van productiemedewerker voedingsmiddelen industrie (SBC-code 111172) is voor de Raad niet inzichtelijk geworden in hoeverre appellant in staat is de in die functie voorgeschreven cursus HACCP te volgen. De geschiktheid van appellant voor deze functie kan echter in het midden blijven, nu er voldoende functies resteren om de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op te kunnen baseren. Uitgaande van de op 12 oktober 2016 vastgestelde FML is appellant in medisch opzicht geschikt te achten voor de eveneens aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies van inpakker (SBC-code 111190), productiemedewerker metaal en elektro-industrie (SBC-code 111171) en medewerker tuinbouw (SBC-code 111010). Dit zijn functies met een functie- en opleidingsniveau van 1, waarbij het gaat om (zeer) eenvoudige werkzaamheden met zeer eenvoudige instructies. Voorts wordt, wat betreft de geschiktheid van deze functies, verwezen naar het op 23 november 2016 vastgestelde Resultaat functiebeoordeling en het rapport van de arbeidsdeskundige van 23 november 2016, waarin de signaleringen met betrekking tot de belastende factoren in deze functies voldoende inzichtelijk en overtuigend zijn toegelicht. De grond van appellant dat de functie van inpakker niet geschikt voor hem is, omdat hij in deze functie moet communiceren in het Nederlands of in het Engels slaagt niet. Voor het uitoefenen van deze functie is voldoende dat appellant kan communiceren in het Nederlands en het door het Uwv, onder verwijzing naar artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, ingenomen standpunt dat appellant hiertoe in staat moet worden geacht, kan niet voor onjuist worden gehouden. Op basis van de mediane loonwaarde van deze drie functies is onveranderd een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35 aan de orde.

5.3.

Uit 5.1 en 5.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitsprak zal worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van E. Diele als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2020.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) E. Diele