Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:905

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-04-2020
Datum publicatie
09-04-2020
Zaaknummer
19/1686 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beƫindiging ZW-uitkering, omdat appellante meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in vaste rechtspraak van de Raad besloten ligt dat het oordeel van een onafhankelijke, door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

/19 1686 ZW

Datum uitspraak: 8 april 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

8 maart 2019, 17/111 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M.M. Pater, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Pater. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als thuiszorgmedewerker voor 19,47 uur per week. Appellante heeft zich met ingang van 7 september 2015 ziek gemeld met psychische en lichamelijke klachten. Op dat moment ontving appellante een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft appellante bij besluit van 9 oktober 2015 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 juli 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet in staat is haar eigen werk te verrichten, vervolgens zes functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante nog meer dan 65% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 15 augustus 2016 de ZW-uitkering van appellante met ingang van 6 oktober 2016 beƫindigd, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 30 november 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft na schorsing van het onderzoek op haar (tweede) zitting van 15 januari 2018, psychiater C.J.F. Kemperman als deskundige benoemd. Vervolgens heeft de rechtbank, nadat partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, zonder nadere zitting uitspraak gedaan. De rechtbank heeft na rapportering op
10 oktober 2018 door Kemperman geoordeeld dat de deskundige in zijn conclusie kan worden gevolgd dat in de FML van 20 juli 2016 in voldoende mate rekening is gehouden met de beperkingen van appellante zoals deze aanwezig waren op en na 6 oktober 2016. In wat appellante heeft opgemerkt over het rapport van de deskundige heeft de rechtbank geen grond gegeven om te twijfelen aan het oordeel van de deskundige. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de voor appellante geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt voor haar zijn.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante het oordeel van de rechtbank bestreden. Appellante heeft haar standpunt herhaald dat er aanleiding is om af te wijken van het uitgangspunt dat het oordeel van de onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. De deskundige was blijkens zijn rapport op de hoogte van de informatie van de behandelend psychiater dat relatief kleine triggers grote gevolgen hebben op appellante en heeft in het rapport opgenomen dat GGZ spreekt over een psychotische persoonlijkheidsorganisatie volgens Kernberg. Appellante heeft in hoger beroep gewezen op een artikel uit het Tijdschrift voor Psychiatrie, Psychodynamische persoonlijkheidsdiagnostiek door J.M.J. Smorenburg, R.C. van der Mast, F. de Jonghe, gepubliceerd in 1994 en een artikel uit Tijdschrift klinische psychologie, Het structurele model van Otto Kernberg in de ontwikkeling van de ego-psychologie, door R. Bruffaerts en
J. Corveleyn, gepubliceerd in 2000. Appellante stelt dat de medische informatie van haar behandelaars, haar reacties op het rapport en deze publicaties een ander beeld geven dan door Kemperman op basis van een algemene DSM-classificatie is geschetst. Door de complexiteit van de problematiek van appellante en de gevolgen daarvan die zij dagelijks ondervindt, acht zij een werkhervatting risicovol. Met betrekking tot haar huidige psychische klachten heeft appellante ingezonden een evaluatie van de behandeling van psychiater H. van der Spek van 12 februari 2020, gericht aan haar huisarts.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 juni 2019, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Wat door appellante in hoger beroep naar voren is gebracht, is in wezen een herhaling van de in beroep geformuleerde en door de rechtbank beoordeelde beroepsgronden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in vaste rechtspraak van de Raad besloten ligt dat het oordeel van een onafhankelijke, door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. Er is geen aanleiding om in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken. Het uitgebrachte deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven.

4.2.

In de door appellante in hoger beroep aangevoerde gronden en ingebrachte medische artikelen worden geen aanknopingspunten gevonden om het standpunt van de onafhankelijke deskundige niet te volgen. Deze artikelen zijn algemene wetenschappelijk artikelen en kunnen niet afdoen aan de na onderzoek van appellante door Kemperman omtrent de specifieke medische situatie van appellante getrokken conclusies. Appellante heeft de stelling, dat Kemperman op basis van de beschikbare informatie tot een andere conclusie had moeten komen, ook in hoger beroep niet met een medische contra-expertise of op andere wijze onderbouwd. Het door appellante in hoger beroep ingediende rapport van psychiater Van der Spek van 12 februari 2020 heeft geen betrekking op de datum in geding. Uit de bijlage bij het rapport van Kemperman blijkt voorts dat psychiater Van der Spek de deskundige op 25 april 2018 van informatie heeft voorzien, welke door de deskundige bij zijn beoordeling is betrokken.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank dat appellante, uitgaande van de belastbaarheid zoals die is vastgesteld in de FML van 20 juli 2016, in medisch opzicht geschikt moet worden geacht voor de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies, wordt eveneens onderschreven.

4.4.

Uit de overwegingen onder 4.2 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van H.S. Huisman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2020.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) H.S. Huisman