Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:903

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-04-2020
Datum publicatie
09-04-2020
Zaaknummer
18/4234 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de medische beoordeling door het Uwv niet in stand kan blijven. Het oordeel van de rechtbank dat bij appellante op de datum in geding geen sprake was van een situatie van geen benutbare mogelijkheden wordt onderschreven. Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat de beperkingen van appellante niet juist zijn vastgesteld in de FML van 8 december 2016. De medische stukken die appellante op 20 februari 2020 heeft ingediend geven ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de FML van 8 december 2016. Ook uit deze stukken komt geen nieuwe informatie naar voren over de medische situatie van appellante op de datum in geding. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante medisch in staat moet worden geacht om de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies te vervullen. Omdat het besluit pas in hoger beroep is voorzien van een toereikende arbeidskundige onderbouwing, was het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd. Dit gebrek wordt gepasseerd omdat aannemelijk is dat appellante hierdoor niet is benadeeld. Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4234 WIA

Datum uitspraak: 8 april 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

26 juni 2018, 17/482 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Smeets, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Smeets. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als doktersassistente voor ongeveer 31 uur per week. Op 17 februari 2009 heeft zij zich ziek gemeld met psychische en lichamelijke klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 15 februari 2011 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Wegens toegenomen beperkingen is per 31 maart 2011 alsnog een loongerelateerde WGA-uitkering aan appellante toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80 tot 100% en het einde van de loongerelateerde periode op 18 mei 2013. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft appellante een WGA-loonaanvullingsuitkering ontvangen, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%.

1.2.

In verband met een herbeoordeling heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 30 mei 2016. Een arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Het Uwv heeft bij besluit van 21 juni 2016 de WGA-loonaanvullingsuitkering van appellante met ingang van 22 augustus 2016 (datum in geding) beëindigd, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Naar aanleiding van het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep op 8 december 2016 een gewijzigde FML opgesteld. In een rapport van 9 januari 2017 heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep één van de geselecteerde functies verworpen. Er resteren echter voldoende passende functies op basis waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% blijft. Bij beslissing op bezwaar van 10 januari 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Naar het oordeel van de rechtbank was op de datum in geding geen sprake van een situatie van geen benutbare mogelijkheden als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit). Appellante heeft haar standpunt dat haar mogelijkheden dermate wisselend waren dat zij volledig arbeidsongeschikt was niet onderbouwd met medische gegevens die betrekking hebben op de datum in geding. Ook heeft appellante geen medische gegevens overgelegd die twijfel wekken over de juistheid van de beperkingen die zijn vastgelegd in de FML van 8 december 2016. Uit de brief van revalidatiearts R. Meijer betreffende het consult op 27 februari 2018 kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat appellante op de datum in geding verdergaand beperkt was. Evenmin vormt de wijze waarop appellante haar klachten ervaart een toereikende basis om te oordelen dat de verzekeringsartsen haar beperkingen hebben onderschat. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante medisch in staat moet worden geacht om de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies te vervullen.

3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat zij op de datum in geding niet over benutbare mogelijkheden beschikte, omdat zij niet in staat was om te komen tot een adequate dagindeling en haar huishouden niet zelf kon doen. Subsidiair heeft appellante aangevoerd dat verdergaande beperkingen hadden moeten worden vastgesteld in verband met haar psychische en lichamelijke klachten. Daartoe heeft zij erop gewezen dat de belastbaarheid van haar handen en voeten beperkt is door artritis. Daarnaast heeft zij problemen met concentreren en herinneren en ervaart zij vermoeidheid als gevolg van psychische klachten. Deze klachten kunnen worden verklaard door witte stofafwijkingen in haar hersenen. Volgens appellante heeft het Uwv niet al haar klachten in de beoordeling betrokken en is ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat haar klachten in de loop der jaren zijn verergerd. Zij is van mening dat gelet op de medische gegevens een urenbeperking had moeten worden aangenomen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante bij haar hogerberoepschrift medische stukken overgelegd, waaronder een verslag van een dynamisch skeletscintigrafie van 8 februari 2012, een verslag van een MRI van de hersenen van 30 mei 2016 en brieven van reumatoloog A.C. Comarniceanu van 15 februari 2017, 1 maart 2017 en 11 juni 2018. Bij brief van 20 februari 2020 heeft appellante nadere medische stukken overgelegd, waaruit volgens haar blijkt dat zij ernstig beperkt is in haar dagelijks leven en er alles aan doet om haar medische situatie te verbeteren. Verder heeft appellante aangevoerd dat de door het Uwv geselecteerde functies haar belastbaarheid overschrijden. Zij is van mening dat niet in redelijkheid kan worden verwacht dat een werkgever haar in dienst zal nemen als er voor haar een speciale stoel moet worden aangeschaft.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 december 2018 en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 14 januari 2020, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht de WGA‑loonaanvullingsuitkering van appellante heeft beëindigd per 22 augustus 2016.

4.3.

Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de medische beoordeling door het Uwv niet in stand kan blijven.

4.3.1.

Het oordeel van de rechtbank dat bij appellante op de datum in geding geen sprake was van een situatie van geen benutbare mogelijkheden wordt onderschreven. Benadrukt wordt dat appellante op die datum niet was opgenomen in een ziekenhuis of instelling en niet bedlegerig was. Uit het rapport van de verzekeringsarts van 19 mei 2016 blijkt bovendien dat appellante ADL-onafhankelijk was en normale sociale contacten had op micro- en mesoniveau. De stelling van appellante dat zij niet in staat was om te komen tot een adequate dagindeling en niet zelf haar huishouden kon doen, is onvoldoende om te oordelen dat op de datum in geding een van de in artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit genoemde situaties bij haar aan de orde was.

4.3.2.

Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat de beperkingen van appellante niet juist zijn vastgesteld in de FML van 8 december 2016. In deze FML zijn diverse beperkingen weergegeven in verband met onder andere de psychische klachten en de beperkte belastbaarheid van de handen en voeten. Anders dan appellante heeft gesteld, valt niet in te zien dat bij het vaststellen van deze beperkingen onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 14 december 2018 inzichtelijk toegelicht dat bij appellante geen sprake is van een ziekte die aanleiding geeft voor een urenbeperking. Ook heeft hij afdoende onderbouwd dat de medische stukken die appellante heeft meegezonden met haar hogerberoepschrift geen aanleiding geven om verdergaande beperkingen aan te nemen. Daartoe heeft hij er onder andere op gewezen dat uit die stukken geen nieuwe informatie naar voren komt over de fysieke belastbaarheid van appellante op de datum in geding. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat de door appellante genoemde cognitieve klachten onvoldoende kunnen worden verklaard door de witte stofafwijkingen die zijn vastgesteld bij de MRI van de hersenen. Er is geen reden om de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin niet te volgen. Evenmin geven de medische stukken die appellante op 20 februari 2020 heeft ingediend aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de FML van 8 december 2016. Ook uit deze stukken komt geen nieuwe informatie naar voren over de medische situatie van appellante op de datum in geding. Dat appellante door haar klachten problemen ervaart in haar dagelijks leven en dat zij diverse behandelingen heeft ondergaan, was bekend bij de verzekeringsartsen en is kenbaar en inzichtelijk in de beoordeling betrokken.

4.4.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante medisch in staat moet worden geacht om de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies te vervullen. In de rapporten van 9 januari 2017 en 14 januari 2020, gelezen in onderlinge samenhang, is afdoende gemotiveerd dat deze functies passen binnen de beperkingen die zijn vastgesteld in de FML van 8 december 2016. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft daarbij terecht als uitgangspunt genomen dat van een werkgever mag worden verwacht dat hij zorgt voor goede ergonomische stoelen en dat zo nodig een speciaal aangepaste stoel wordt aangeschaft. Op grond van artikel 9, aanhef en onder c, van het Schattingsbesluit mag arbeid waarvoor een dergelijke voorziening nodig is in aanmerking worden genomen in het kader van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Anders dan appellante heeft gesteld, is daarvoor niet van belang of ten tijde van de beoordeling reeds een dienstverband bestaat.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht haar WIA-uitkering heeft beëindigd per 22 augustus 2016. Omdat het besluit pas in hoger beroep is voorzien van een toereikende arbeidskundige onderbouwing, wordt geoordeeld dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen. Aannemelijk is dat appellante hierdoor niet is benadeeld, omdat ook als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan een besluit met gelijke uitkomst zou zijn genomen. Onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb zal de schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb daarom worden gepasseerd en wordt het bestreden besluit in stand gelaten. Het hoger beroep van appellante slaagt dus niet en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Bij deze uitkomst wordt het verzoek om veroordeling van het Uwv tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente afgewezen.

5. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 1.050,- in hoger beroep, in totaal € 2.100,-. Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 2.100,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van L.E. König als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2020.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) L.E. König