Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:892

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-04-2020
Datum publicatie
09-04-2020
Zaaknummer
16/7985 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na een toetsing verbetering belastbaarheid in het tweede ziektejaar heeft appellant geen recht meer op ziekengeld. Appellant kan nog meer dan 65% van zijn zogeheten maatmaninkomen verdienen. Geen recht op WIA omdat de voorgeschreven wachttijd niet is volgemaakt. Benoeming deskundige. In FML wordt onvoldoende tegemoet gekomen aan de specifieke begeleidingsbehoefte van appellant. Opdracht tot het nemen van een nieuw besluit. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/7985 ZW

Datum uitspraak: 8 april 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 november 2016, 16/1979 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A.J. Dappers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dappers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

Het onderzoek ter zitting is geschorst.

De Raad heeft L. Greveling-Fockens, verzekeringsarts, als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 9 mei 2019 een rapport uitgebracht.

Partijen hebben hun zienswijze op het rapport gegeven.

Op 7 oktober 2019 heeft deskundige Greveling-Fockens desgevraagd gereageerd op de zienswijzen.

Het Uwv heeft vervolgens rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep aan de Raad gestuurd.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een (nader) onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als verkoper bruingoed. Op 23 augustus 2013 heeft hij zich vanuit een werkloosheidssituatie ziek gemeld met psychische klachten. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

Na een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) is het recht op ziekengeld voortgezet, omdat appellant op dat moment niet ten minste 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. In het kader van een toetsing verbetering belastbaarheid in het tweede ziektejaar (toetsing) heeft een verzekeringsarts appellant op 27 mei 2015 gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog meer dan 65% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 11 juni 2015 vastgesteld dat appellant met ingang van 13 juli 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld. Naar aanleiding van een aanvraag om hem in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv bij besluit van 15 juni 2015 vastgesteld dat appellant met ingang van 21 augustus 2015 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat hij de voorgeschreven wachttijd van 104 weken niet heeft volgemaakt.

1.3.

Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 11 juni 2015 en

15 juni 2015 bij besluit van 24 mei 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de belastbaarheid gewijzigd vastgesteld in een FML van 4 mei 2016. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat vier van de vijf geduide functies niet geschikt zijn voor appellant. Hij heeft vervolgens twee nieuwe functies geselecteerd binnen dezelfde SBC-codes als geduid door de primaire arbeidsdeskundige en vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid onverminderd minder dan 35% blijft.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest, dat niet is gebleken dat de medische beperkingen van appellant zijn onderschat en dat toereikend is gemotiveerd dat de geduide functies geschikt zijn.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat onvoldoende psychisch onderzoek heeft plaatsgevonden en dat informatie opgevraagd had moeten worden bij zijn voormalig behandelaar. Zijn psychische klachten en zijn chronische vermoeidheid als gevolg van

Q-koorts zijn onvoldoende meegewogen. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat hij niet in staat is de geduide functies te verrichten zonder intensieve begeleiding. Hij wijst erop dat het Uwv bij de EZWb heeft geoordeeld dat hij intensieve begeleiding nodig heeft van een jobcoach of een gespecialiseerd re-integratiebureau bij het vinden en behouden van arbeid.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

3.3.

De Raad heeft omdat twijfel was ontstaan over de juistheid van de door het Uwv vastgestelde begeleidingsbehoefte aanleiding gezien om een verzekeringsarts als deskundige te benoemen.

3.4.

De door de Raad benoemde deskundige heeft in haar rapport van 9 mei 2019 overwogen dat bij appellant op de in deze zaak in geding zijnde datum, 13 juli 2015, sprake is van een autismespectrumstoornis en het Q-koorts vermoeidheidssyndroom. De deskundige acht appellant in aanvulling op de FML van 4 mei 2016 aangewezen op een voorspelbare werksituatie en werk zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen. Daarnaast moet wegens de vermoeidheidsklachten het lopen en staan tijdens het werk beperkt worden tot twee uur per dag. Verder is de deskundige van mening dat onvoldoende tegemoet is gekomen aan de specifieke begeleidingsbehoefte van appellant. Er is noodzaak om nadere kwalitatieve eisen aan de leidinggevende en/of collega’s te stellen. Enige kennis van de problematiek van betrokkene is volgens de deskundige onvoldoende om continuïteit in reguliere arbeid mogelijk te maken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is of de ZW-uitkering van appellant, gelet op de in hoger beroep vastgestelde FML van 2 juli 2019, terecht per 13 juli 2015 is beëindigd en appellant dientengevolge met ingang van 21 augustus 2015 terecht niet in aanmerking is gebracht voor een WIA-uitkering. Het geschil spitst zich toe op de vraag of in de FML van 2 juli 2019 in voldoende mate rekening is gehouden met de begeleidingsbehoefte van appellant.

4.2.

Naar aanleiding van het deskundigenrapport heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 2 juli 2019 de FML aangepast. De begeleidingsbehoefte van appellant is in deze FML vastgelegd bij de volgende aspecten:

- 1.9.3 (aangewezen op werk dat onder rechtstreeks toezicht en/of intensieve begeleiding wordt uitgevoerd).

Voor appellant geldt begeleidingsniveau 3, dit houdt het volgende in:

“De functionaris is in staat (eenvoudige) handelingen zelf uit te voeren. Zolang het werk volgens het vaste patroon wordt verricht, zijn er geen problemen. De persoon moet bij veranderingen of problemen om hulp kunnen vragen of hulp aangeboden krijgen. Bij verandering van werkzaamheden bijvoorbeeld heeft hij meer instructie nodig dan een collega.”

- 1.9.10 “de leidinggevende moet kennis hebben van de problematiek van de klant, van zijn wijze van communiceren en denken en de gevolgen die dit voor de omgang met collegae en leidinggevende heeft. Hij moet aanwezig zijn en kunnen ingrijpen.

- 2.6 “Cliënt dient een leidinggevende te hebben die enige kennis heeft van de problematiek van cliënt en daarmee rekening houdt.”

4.3.

Appellant heeft te kennen gegeven dat ook met de aangepaste FML nog altijd onvoldoende tegemoet wordt gekomen aan zijn begeleidingsbehoefte.

4.4.

In reactie op de gewijzigde FML heeft de deskundige op 7 oktober 2019 te kennen gegeven dat in de FML van 2 juli 2019 een incompleet beeld wordt gegeven van de door haar vastgestelde voorwaarden wat betreft de noodzakelijke begeleiding. De bij item 2.6 van de FML gegeven toelichting, dat een leidinggevende enige kennis moet hebben van de problematiek acht de deskundige onvoldoende.

4.5.

Het Uwv heeft daarop verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 oktober 2019 waarin is vermeld dat bij item 1.9.10 van de FML is weergegeven wat van de leidinggevende wordt verwacht. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat de leidinggevende enige kennis van autisme moet hebben maar niet alle ins en outs daarvan hoeft te kennen, omdat de leidinggevende immers geen hulpverlener of behandelaar is.

4.6.

Naar vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde, deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het rapport van de deskundige getuigt van een zorgvuldig onderzoek. De deskundige heeft gerapporteerd dat de aan collega’s te geven instructie en de begeleiding die op basis van deze instructie van de leidinggevende en de overige collega’s wordt verwacht, verdergaand is dan wat normaliter van een leidinggevende en collega’s kan worden gevraagd. Er is in feite noodzaak om nadere kwalitatieve eisen aan de leidinggevende en/of collega’s te stellen, waarbij enige kennis van de problematiek niet voldoende is om voor appellant continuïteit in reguliere arbeid mogelijk te maken.

4.7.

In zijn uitspraak van 19 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:913, heeft de Raad het standpunt van het Uwv onderschreven dat het de taak van de verzekeringsarts is om een gemotiveerd beeld te geven van de begeleidingsbehoefte die het gevolg is van de medische toestand van de betrokkene. De arbeidsdeskundige dient vervolgens bij het selecteren van functies rekening te houden met de aldus vastgestelde begeleidingsbehoefte. De arbeidsdeskundige zal moeten beoordelen of en motiveren dat in de functies in de vastgestelde begeleidingsbehoefte kan worden voorzien.

4.8.

De Raad heeft in genoemde uitspraak voorts het standpunt van het Uwv gevolgd dat het bij beoordelingspunt 1.9.3 van de FML gaat om de beschikbaarheid van een vangnet, zonder dat daar nadere eisen aan hoeven te worden gesteld. Weliswaar vragen de betrokken werknemers meer aandacht dan andere collega’s, maar dat is een kwantitatief aspect. Het gaat om “gewoon” leidinggeven en “gewoon” helpen door collega’s. Dat wil zeggen dat het om een niveau van begeleiding gaat dat van leidinggevenden en collega’s in redelijkheid verwacht mag worden. Zodra er een noodzaak is om nadere kwalitatieve eisen aan de leidinggevende en/of collega’s te stellen, is er veeleer sprake van werk onder beschutte omstandigheden.

4.9.

Gelet op de door de deskundige in het rapport van 9 mei 2019 en de reactie van 7 oktober 2019 beschreven kwalitatieve eisen waar de begeleidingsbehoefte van appellant aan moet voldoen, wordt geconcludeerd dat in de FML van 2 juli 2019 onvoldoende tegemoet gekomen wordt aan de specifieke begeleidingsbehoefte van appellant.

4.10.

Wat in 4.2 tot en met 4.9 is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd. Het Uwv wordt opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing op het bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de door appellant in beroep en hoger beroep gemaakte kosten. Deze worden begroot op € 1.050,- in beroep en € 1.312,50 in hoger beroep in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtshulp. In totaal komt een bedrag van € 2.362,50 voor vergoeding in aanmerking.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellant, met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat tegen dit besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld;

- veroordeelt het Uwv in de door appellant in beroep en hoger beroep gemaakte kosten, in totaal te begroten op € 2.362,50;

- bepaalt dat het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 170,- aan appellant vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2020.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) R.H. Koopman