Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:889

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-04-2020
Datum publicatie
09-04-2020
Zaaknummer
18/2904 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het bedrag van € 305,06 is op tijd aan appellant betaald en er reeds daarom geen reden is dat CAK aan appellant voor incassokosten dient te betalen in verband met een terugvordering tot dit bedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/2904 ZVW

Datum uitspraak: 8 april 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 april 2018, 17/3163 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

CAK

PROCESVERLOOP

Vanaf 1 januari 2017 oefent CAK in zaken als deze de bevoegdheden uit die voorheen door het Zorginstituut Nederland werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder CAK mede verstaan Zorginstituut Nederland.

Namens appellant heeft mr. R.J. Skála hoger beroep ingesteld.

CAK heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Skála. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is op 4 augustus 2014 door zijn zorgverzekeraar aangemeld als wanbetaler in de zin van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Bij besluit van 12 augustus 2014 heeft CAK laten weten dat appellant daarom vanaf september 2014 een bestuursrechtelijke premie verschuldigd is.

1.2.

Bij besluit van 27 november 2015 heeft CAK appellant medegedeeld dat zijn zorgverzekeraar te kennen heeft gegeven dat de aanmelding als wanbetaler onterecht is. Dit betekent dat appellant geen bestuursrechtelijke premie verschuldigd is en dat een eindafrekening volgt. CAK heeft het besluit van 12 augustus 2014 ingetrokken.

1.3.

Op 7 december 2015 heeft CAK aan appellant bericht dat aan hem een bedrag van € 1.796,16 aan onterecht ontvangen bestuursrechtelijke premie wordt terugbetaald.

1.4.

Bij besluit van 25 januari 2016 heeft CAK een eindafrekening bestuursrechtelijke premie opgemaakt. Daarin is bepaald dat appellant een bedrag van € 152,53 terug krijgt. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

1.5.

Appellant heeft CAK op 1 februari 2017 verzocht om in aanvulling op de reeds door CAK terugbetaalde bedragen van € 1.796,16 en € 152,53 een bedrag van € 305,06 terug te betalen. Verder heeft hij verzocht om vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 55,47.

1.6.

Bij besluit van 13 maart 2017 heeft CAK aan appellant te kennen gegeven dat het bedrag van € 305,06 wordt terugbetaald en dat geen incassokosten worden betaald.

1.7.

Bij beslissing op bezwaar van 24 juli 2017 (bestreden besluit) heeft CAK het bezwaar tegen het besluit van 13 maart 2017 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat CAK aan hem de buitengerechtelijke incassokosten van € 55,47 moet betalen.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1.

Anders dan de rechtbank heeft gedaan, merkt de Raad het verzoek van appellant van 1 februari 2017 aan als een verzoek om terug te komnen op de, rechtens onaantastbaar geworden, eindafrekening van 25 januari 2016.

4.2.

Bij het besluit van 13 maart 2017 is CAK in zoverre terug gekomen op het besluit van 25 januari 2016 dat aan appellant nog een bedrag van € 305,06 aan onterecht betaalde bestuursrechtelijke premies wordt terugbetaald.

4.3.

Ter zitting van de Raad hebben partijen gemeld dat het bedrag van € 305,06 op 15 maart 2017 aan appellant is uitbetaald.

4.4.

Dit betekent dat het bedrag van € 305,06 op tijd aan appellant is betaald en dat er reeds daarom geen reden is dat CAK aan appellant voor incassokosten dient te betalen in verband met een terugvordering tot dit bedrag.

4.5.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt, met verbetering van gronden, bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma als voorzitter en W.J.A.M. van Brussel en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van E.M. Welling als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2020.

(getekend) J.PA. Boersma

(getekend) E.M. Welling