Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:872

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2020
Datum publicatie
07-04-2020
Zaaknummer
16/1922 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2020:1999. De gerectificeerde tekst is opgenomen in ECLI:NL:CRVB:2020:2000, onderstaande tekst is niet meer geldig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 1922 WWAJ

Datum uitspraak: 6 april 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 februari 2016, 15/4782 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van de schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 15 februari 2018 een tussenuitspraak, ECLI:NL:CRVB:2018:621, gedaan. Bij brief van 6 juni 2018 heeft de Raad een in de tussenuitspraak genoemde datum gecorrigeerd.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 juli 2018 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 12 juli 2018 (mede ondertekend door de verzekeringsarts bezwaar en beroep) ingezonden.

Bij brief van 26 september 2018 heeft appellant zijn zienswijze naar voren gebracht. Het Uwv heeft hierop bij brief van 26 maart 2019, onder toezending van een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 14 maart 2019 (mede ondertekend door de verzekeringsarts bezwaar en beroep), gereageerd.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.

Appellant heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad het onderzoek heropend.

Het Uwv heeft gereageerd op het verzoek om schadevergoeding.

Een nader onderzoek ter zitting is achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Hij voegt daar het volgende aan toe.

1.2.

Bij de tussenuitspraak heeft de Raad overwogen dat het Uwv ten tijde in geding ten onrechte geen beperking op het aspect 1.9.3 van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) heeft weergegeven, zodat de beslissing op bezwaar van 26 mei 2015 (bestreden besluit) niet deugdelijk is gemotiveerd en om die reden in strijd met artikel 7:12 van de Awb is genomen. Aan het Uwv is de opdracht gegeven om dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen en daarbij de begeleidingsbehoefte van appellant in overeenstemming te brengen met het GGZ-rapport van augustus/september 2015 en het rapport van de verzekeringsarts van 25 oktober 2016.

1.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in reactie op de tussenuitspraak in zijn rapport van 10 juli 2018 te kennen gegeven dat de gegevens uit het GGZ-rapport en het rapport van de verzekeringsarts van 25 oktober 2015 passen bij het laagste niveau van toezicht/begeleiding bij aspect 1.9.3 van de FML, zoals omschreven in de Basisinformatie CBBS. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onder andere betrokken dat uit de informatie van het GGZ blijkt dat appellant meer tijd en begeleiding nodig heeft om werkzaamheden te leren en zelfstandig te kunnen uitvoeren en dat hij het best gebaat is bij een kleinschalig bedrijf waar hij rustig de tijd krijgt en begeleid wordt in het werk. In de FML van 10 juli 2018 is een beperking op aspect 1.9.3 toegevoegd, met als toelichting: “Is in staat (eenvoudige) handelingen zelf uit te voeren. Zolang het werk volgens het vaste patroon verloopt zijn er geen problemen. Moet bij veranderingen of problemen om hulp kunnen vragen of hulp aangeboden krijgen. Heeft bij verandering van werkzaamheden (of opstart in nieuwe baan) meer instructie nodig dan een collega.” Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 12 juli 2018 op grond van de nieuwe FML geconcludeerd dat drie van de vier geselecteerde functies niet langer gehandhaafd kunnen worden. Er zijn aanvullend drie nieuwe functies geselecteerd, waarmee appellant nog steeds ten minste 75% van het maatmaninkomen kan verdienen. Het Uwv heeft daarom met deze gewijzigde motivering de weigering van de Wajong-uitkering aan appellant gehandhaafd.

1.4.

Appellant heeft op 26 september 2018 in reactie hierop aangevoerd het eens te zijn met de aanpassing van de FML op aspect 1.9.3. Met betrekking tot de geselecteerde functies heeft appellant aangevoerd dat bij twee van de geselecteerde functies sprake is van een actualisatiedatum van na de datum in geding, en deze functies dus niet voor de schatting gebruikt kunnen worden. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn voor appellant, onder andere wegens de werkomgeving, de fysieke belasting, het omgevingsgeluid en het moeten werken aan een productielijn.

1.5.

Het Uwv heeft onder verwijzing naar een nader rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 14 maart 2019 (mede ondertekend door de verzekeringsarts bezwaar en beroep) te kennen gegeven dat alle functies actueel zijn nu een mogelijk recht op Wajong-uitkering in beginsel niet eerder ontstaat dan 16 weken na de datum van aanvraag, 16 augustus 2014, en het CBBS is geraadpleegd per 20 november 2014. Daarnaast heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toegelicht dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

De Raad stelt vast dat, nu partijen het eens zijn over de aanpassing van de FML op aspect 1.9.3, het Uwv na de tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit heeft hersteld. Uitsluitend is nog in geschil of de geselecteerde functies die het Uwv na de tussenuitspraak ten grondslag heeft gelegd aan de weigering van de Wajong-uitkering aan appellant een juiste actualisatiedatum hebben en in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

2.2.

In artikel 2:15, tweede lid, van de Wajong was ten tijde van de aanvraag van appellant bepaald dat de Wajong-uitkering niet eerder kan ontstaan dan zestien weken na de dag waarop de aanvraag werd ingediend. De beoordelingsdatum in het onderhavige geval is dan ook zestien weken na 16 augustus 2014, namelijk 6 december 2014. Nu geen van de actualisatiedatums van de geselecteerde functies na 6 december 2014 ligt, slaagt de grond van appellant met betrekking tot de actualisatiedatums niet.

2.3.

Met betrekking tot de medische geschiktheid van de geselecteerde functies wordt overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 12 juli 2018 en zijn nader rapport van 14 maart 2019 (mede ondertekend door de verzekeringsarts bezwaar en beroep) inzichtelijk en overtuigend heeft gemotiveerd dat de belastbaarheid van appellant in de geselecteerde functies niet wordt overschreden. Hierbij is van belang dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep na overleg met een arbeidsdeskundig analist heeft toegelicht dat hoewel er in de functie productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) zeventien werkplekken zijn, de maximale bezetting per dag op elf personen ligt en dat het ruime werkplekken betreffen waarbij de teamleider altijd op de werkvloer aanwezig en benaderbaar is. Dit komt overeen met de conclusies in het GGZ-rapport van augustus/september 2015, waarin is vermeld dat appellant het best tot zijn recht zal komen in een relatief klein team. Wat betreft de fysieke belasting in de functies, inclusief het machinegebonden werktempo, wordt overwogen dat appellant op deze punten niet beperkt is in de FML, en dat ook niet is onderbouwd dat appellant op de datum in geding beperkingen had op dit gebied. Tot slot heeft de arbeidsdeskundige, na overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep, duidelijk toegelicht dat de beperking ten aanzien van lawaai (niet langdurig een geluidsniveau boven de 80 dB) is gesteld om verdere schade aan het gehoor te voorkomen en dat bij het geluidsniveau in de functie productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (SBC-code 111172) van ongeveer 80 dB kort gecommuniceerd kan worden met stemverheffing. In de functie bestaat verder geen aanleiding voor regelmatig overleg met leidinggevende of collega’s nu de werkzaamheden bestaan uit eenvoudige handelingen volgens een vast patroon. Het Uwv heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de geselecteerde functies passen binnen de belastbaarheid van appellant, zoals neergelegd in de FML van 10 juli 2018.

2.4.

Het Uwv heeft op juiste gronden besloten dat appellant niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering, nu hij in staat wordt geacht om meer dan 75% van het wettelijk minimumloon te verdienen. Vastgesteld moet echter wel worden dat het Uwv pas in hoger beroep de medische en arbeidskundige grondslag afdoende heeft onderbouwd.

2.5.

De overwegingen in 2.1 tot en met 2.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep tegen het bestreden besluit gegrond worden verklaard. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 2 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit zullen in stand gelaten worden.

3.1.

Voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM geldt het volgende. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

3.2.

Voorts wordt gewezen op de uitspraak van 7 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:809, waarin de Raad heeft overwogen dat in een geval als dit, waarin eerst na een tussenuitspraak einduitspraak wordt gedaan, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het bestuursorgaan wordt toegerekend. Indien echter in de loop van de procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke fase dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat. Van een te lange behandelingsduur bij de rechter is geen sprake als de periode tussen het instellen van beroep bij de rechtbank en de tussenuitspraak van de hoger beroepsrechter ten hoogste drie en een half jaar heeft geduurd en de hoger beroepsrechter vervolgens binnen één jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak doet.

3.3.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 8 december 2014 van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn, naar boven afgerond, vijf jaar en vier maanden verstreken. De zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, en ook de opstelling van appellant geven geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met zestien maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van drie maal € 500,-, in totaal € 1.500,-.

3.4.

Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaarschrift tot het bestreden besluit van 26 mei 2015, naar boven afgerond, zes maanden geduurd. De periode tussen ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 3 juli 2015 tot de tussenuitspraak van de Raad van 15 februari 2018 heeft, naar boven afgerond, twee jaar en acht maanden in beslag genomen.

3.5.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 7 maart 2014 komt, indien niet binnen een jaar na ontvangst van de mededeling van het Uwv van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak is gedaan, de periode nadien voor rekening van de Staat. De periode tussen de ontvangst op 29 augustus 2018 van de mededeling van het Uwv van de wijze waarop het Uwv de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zou hebben hersteld en de datum van deze uitspraak heeft, naar boven afgerond, twintig maanden geduurd. Het deel hiervan dat langer heeft geduurd dan een jaar, namelijk acht maanden, komt voor rekening van de Staat.

3.6.

Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die uiteen is gezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252). Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 800,- (8/16 deel van € 1.500,-). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 800,- (8/16 deel van € 1.500,-).

4. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant met betrekking tot het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. Deze kosten worden begroot op € 1.312,50 voor de verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting anders dan na tussenuitspraak en een waarde per punt van € 525,-), € 1.312,50 voor de verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van replieken) en € 22,40 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 2.647,40. Voorts bestaat aanleiding het Uwv en de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellant met betrekking tot de vordering tot vergoeding van immateriële schade wegens schending van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 262,50 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het verzoek met een wegingsfactor van 0,5). Het Uwv zal worden veroordeeld in € 131,25 (de helft) van deze kosten. De Staat zal worden veroordeeld in de andere helft van deze kosten. Het Uwv zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal (€ 2.647,40 + € 131,25 =)

€ 2.778,65.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 25 mei 2015;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 800,-;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 800,-;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.778,65;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 131,25;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2020.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) B.V.K. de Louw