Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:871

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2020
Datum publicatie
07-04-2020
Zaaknummer
19/129 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het aanmerken van een ongeval als dienstongeval in de zin van de artikelen 54 en 54a van het BARP betekent nog niet dat op grond van de genoemde norm ook aanspraak bestaat op vergoeding van andere schade die een betrokkene als gevolg van het ongeval heeft geleden of zal lijden. Beide grondslagen voor vergoeding van schade kunnen naast elkaar bestaan en vergen een afzonderlijke toetsing aan de in de algemene aansprakelijkheidsnorm vervatte vereisten. Op grond van de stukken, de getuigenverklaringen en de ter zitting door betrokkene en [naam] gegeven toelichtingen kan de Raad, alles afwegende, niet tot een andere conclusie komen dan dat het ongeval moet zijn gelegen in een door betrokkene niet juist uitgevoerde remmanoeuvre door bij de noodstop te hard te remmen met de voorrem, waardoor het voorwiel blokkeerde. Aangezien de korpschef met betrekking tot het uitvoeren van de remmanoeuvre voldoende voorlichting heeft gegeven, betekent het voorgaande dat betrokkene niet met succes de korpschef aansprakelijk kan houden voor de restschade die hij heeft geleden of zal lijden als gevolg van het ongeval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/229
TAR 2020/83
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 129 AW

Datum uitspraak: 2 april 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

29 november 2018, 18/275 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (korpschef)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens de korpschef heeft mr. A.T. Bolt, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J. Houkes een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2020. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Bolt, mr. E. Sedighi en [naam]. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Houkes.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene, geboren in 1976 en hoofdagent van politie bij de toenmalige politieregio Brabant-Noord, thans de eenheid Oost-Brabant, heeft op 28 mei 2010 deelgenomen aan een eendaagse biketraining die plaatsvond in een bos bij Nijmegen. Het betrof een voortgezette opleiding. Betrokkene had eerder de basistraining gevolgd. Betrokkene maakte bij die training gebruik van zijn privé-mountainbike. Tijdens een remoefening, waarbij betrokkene met hoge snelheid komend vanaf een helling op commando een noodstop moest maken, is betrokkene over de kop gegaan. Betrokkene heeft daarbij verwondingen aan zijn ledematen opgelopen.

1.2.

Bij besluit van 18 augustus 2010 heeft de (rechtsvoorganger van de) korpschef het ongeval aangemerkt als dienstongeval als bedoeld in artikel 1 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Nadien zijn aan betrokkene op grond van artikel 54 van het Barp verscheidene vergoedingen toegekend voor noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging.

1.3.

Bij brief van 23 december 2014 heeft betrokkene de korpschef aansprakelijk gesteld voor alle materiele en immateriële schade die hij als gevolg van het dienstongeval heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van de schending door de werkgever van de zorgplicht.

1.4.

De korpschef heeft bij besluit van 11 februari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 december 2017 (bestreden besluit), geweigerd de aansprakelijkheid voor de gestelde schade te erkennen. Overwogen is dat het ongeval van betrokkene te wijten is aan een eigen fout van betrokkene dan wel een ongelukkige samenloop van omstandigheden, waarvan de korpschef geen verwijt kan worden gemaakt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De korpschef is opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de korpschef niet aannemelijk gemaakt dat de fiets van betrokkene is geïnspecteerd voorafgaand aan de training en kan daarmee niet worden vastgesteld of de fiets gebrekkig was tijdens de training. Mede in aanmerking genomen dat ook de toedracht van de val niet genoegzaam is vastgesteld, heeft de korpschef niet aangetoond dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan.

3. In hoger beroep heeft de korpschef zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraken van 22 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AB0072 en 22 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:98) heeft het bestuursorgaan tegenover de ambtenaar een zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat het bestuursorgaan de werkzaamheden van de ambtenaar zodanig moet inrichten en voor het verrichten daarvan zodanige maatregelen moet treffen en aanwijzingen moet geven als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. De ambtenaar heeft recht op vergoeding van deze schade, ook voor zover rechtspositionele regelingen daarin niet voorzien. Geen recht op vergoeding bestaat indien het bestuursorgaan aantoont dat het zijn zorgplicht is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.

4.2.

Zoals eerder overwogen in de uitspraak 4 juli 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE5831, betekent het aanmerken van een ongeval als dienstongeval in de zin van de artikelen 54 en 54a van het BARP nog niet dat op grond van de onder 4.1 genoemde norm ook aanspraak bestaat op vergoeding van andere schade die een betrokkene als gevolg van het ongeval heeft geleden of zal lijden. Beide grondslagen voor vergoeding van schade kunnen naast elkaar bestaan en vergen, ingeval om vergoeding van dergelijke schade wordt verzocht, gezien de verschillen tussen beide normen, een afzonderlijke toetsing aan de in de algemene aansprakelijkheidsnorm vervatte vereisten.

4.3.

Partijen zijn verdeeld over de oorzaak van het ongeval. Niet is gesteld of gebleken dat het blokkeren van het voorwiel is veroorzaakt door een losliggende tak of een andere oneffenheid in het bospad. Volgens betrokkene is het ongeluk ontstaan doordat zijn voorwiel blokkeerde. Hij wijt dit aan een hapering in de oliedruk van de rem van het voorwiel. De korpschef heeft volgens betrokkene ten onrechte nagelaten de remmen tevoren te laten controleren. De korpschef heeft aangevoerd dat de cursisten, op last van de instructeur, de remmen tevoren moesten controleren. Bovendien heeft betrokkene zowel voorafgaand aan het ongeval als erna zonder problemen op zijn fiets rondgereden. De blokkade van het voorwiel moet zijn ontstaan door het te hard inknijpen door betrokkene van de voorrem. Volgens de korpschef is tijdens de instructie vooraf voldoende voorlichting gegeven over de wijze waarop geremd moet worden bij een noodstop. Betrokkene heeft bevestigd dat hem is aangeleerd dat bij een noodstop geremd moet worden met de achterrem, waarbij achter op de fiets geleund moet worden, terwijl voorzichtig met de voorrem bijgeremd mag worden.

4.4.

Op grond van de stukken, de getuigenverklaringen en de ter zitting door betrokkene en [naam] gegeven toelichtingen kan de Raad, alles afwegende, niet tot een andere conclusie komen dan dat het ongeval moet zijn gelegen in een door betrokkene niet juist uitgevoerde remmanoeuvre door bij de noodstop te hard te remmen met de voorrem, waardoor het voorwiel blokkeerde. Daarbij is van belang dat er geen enkele aanwijzing is voor een mankement aan de fiets van betrokkene en dan in het bijzonder aan de reminrichting. Het ongeval vond plaats in de loop van de ochtend nadat betrokkene al enige tijd op zijn fiets had gereden zonder dat hij melding maakte van haperende of anderszins niet goed werkende remmen. Vervolgens is betrokkene na het ongeval op zijn eigen fiets naar de eerste hulp gereden waar hij zich onder behandeling heeft gesteld. Daarna is hij fietsend naar het centrum van Nijmegen vertrokken waar de overige deelnemers een maaltijd nuttigden. Na daar verslag te hebben gedaan van de resultaten van het onderzoek op de eerste hulp is betrokkene op zijn eigen fiets naar zijn woning vertrokken.

4.5.

Aangezien de korpschef met betrekking tot het uitvoeren van de remmanoeuvre voldoende voorlichting heeft gegeven, betekent het voorgaande dat betrokkene niet met succes de korpschef aansprakelijk kan houden voor de restschade die hij heeft geleden of zal lijden als gevolg van het ongeval. De vraag of de korpschef in ander opzicht zijn zorgplicht heeft geschonden kan hierdoor onbeantwoord blijven, nu er geen verband bestaat tussen die eventuele schending en het ontstane ongeval.

4.6.

Uit 4.3 tot en met 4.5. volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en de Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 6 december 2017 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en C.H. Bangma en

J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2020.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) R.I.S. van Haaren