Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:870

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2020
Datum publicatie
07-04-2020
Zaaknummer
19/3266 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling functie van Senior Intelligence, gewaardeerd in salarisschaal 8. Betrokkene voldoet niet aan de voorwaarden van de Notitie en de Aanvulling, waar het de gevraagde LFNP-functie van Operationeel Specialist A, schaal 9, betreft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3266 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 2 april 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 5 juli 2019, 17/1350 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (korpschef)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

De korpschef heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. drs. P.W. Kuijper een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft de korpschef een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2020. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.J. Mathura en R.M.M. Paulsen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Kuijper.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 1 december 2015 heeft de korpschef de oorspronkelijke functie van betrokkene voor de reorganisatie Politiewet 2012 vastgesteld op de functie van Senior Intelligence, gewaardeerd in salarisschaal 8, de LFNP-functie waarnaar betrokkene op 1 januari 2012 is overgegaan.

1.2.

Bij besluit van 10 juni 2016 heeft de korpschef betrokkene als functievolger met ingang van 1 juli 2016 geplaatst in de functie van Senior Intelligence, gewaardeerd in salarisschaal 8, in de formatie van de eenheid Noord-Nederland, Dienst Regionale Informatieorganisatie, Analyse en Onderzoek, met als plaats van tewerkstelling Groningen.

1.3.

Bij besluit van 15 februari 2017 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar tegen het besluit van 10 juni 2016 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en zelf in de zaak voorzien door het besluit van 10 juni 2016 te herroepen en betrokkene met ingang van 1 juli 2016 te plaatsen in de functie van Operationeel Specialist A, gewaardeerd in salarisschaal 9, in de formatie van de eenheid Noord-Nederland, Dienst Regionale Informatieorganisatie, Analyse en Onderzoek, met als plaats van tewerkstelling Groningen. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, overwogen dat betrokkene voldoet aan de voorwaarden die in de Notitie tijdelijke tewerkstellingen in fase 2 (Notitie) worden gesteld om hem in aanmerking te doen komen voor plaatsing op basis van de Notitie in de door hem geambieerde functie van Operationeel Specialist A.

3. De korpschef keert zich in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank dat betrokkene een geslaagd beroep toekomt op de Notitie, zoals aangevuld met de Aanvulling werkinstructie inzake Tijdelijke tewerkstellingen in de periode tot 1 juli 2016 (Aanvulling), en dat er zodoende aanleiding bestaat om hem te plaatsen op de door hem geambieerde functie van Operationeel Specialist A, salarisschaal 9. Volgens de korpschef heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat betrokkene voldoet aan de voorwaarden in de Notitie.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het kader en de van toepassing zijnde regelgeving betreffende dit hoger beroep verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 21 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1843.

4.2.

In artikel 55v van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) is bepaald dat indien de toepassing van hoofdstuk VII.b (Voorzieningen bij reorganisaties) of de nadere regels ter uitvoering van dit hoofdstuk in individuele gevallen leidt tot onbillijkheden van overwegende aard of indien er sprake is van een bijzondere situatie van een individuele herplaatsingskandidaat, het bevoegd gezag, na afweging van de belangen van het individu en van de organisatie, kan afwijken van dit hoofdstuk of van de nadere regels ter uitvoering van dit hoofdstuk.

4.3.

De Notitie en de Aanvulling vormen een uitwerking van de in artikel 55v van het Barp neergelegde hardheidsclausule voor situaties waarin een medewerker gedurende fase 1 van de reorganisatie (dus tot juli 2016) gedurende een periode van drie jaar tijdelijk was tewerkgesteld in een andere functie. Om in aanmerking te komen voor plaatsing in de gewenste functie dient aan vier cumulatieve criteria te worden voldaan:

- De betrokkene dient de door hem gevraagde LFNP-functie gedurende minimaal drie jaar voorafgaand aan 1 juli 2016 ononderbroken uit te hebben geoefend. Volgens de Aanvulling moet de vraag of de gewenste functie daadwerkelijk is uitgevoerd, worden beantwoord aan de hand van de niveaubepalende elementen van die functie. Noodzakelijk is dat vastgesteld wordt dat door het uitoefenen van de tijdelijke werkzaamheden in overwegende mate is voldaan aan de niveaubepalende elementen van de andere functie. Deze zijn omschreven in het onderdeel “kern van de functie” in de betrokken LFNP-functie.

- De tewerkstelling dient schriftelijk te kunnen worden onderbouwd door de medewerker.

- De gewenste functie moet zijn ingericht in de nieuwe formatie. Er moet dus sprake zijn van werkzaamheden die vanuit het bedrijfsvoeringsbelang ook na de reorganisatie worden gecontinueerd.

- Het functioneren van de medewerker dient voldoende te zijn.

4.4.

Niet aannemelijk is gemaakt dat er in dit geval sprake is geweest van enigerlei afspraak of opdracht, in welke vorm dan ook, tot vervulling van andere dan de eigen werkzaamheden. Afgaande op de gedingstukken moet het er veeleer voor worden gehouden dat betrokkene volgens de geldende werkafspraken gedurende de relevante periode steeds werkzaam is geweest in zijn eigen formele functie, zijnde tot 1 januari 2012 de functie van zaaksanalist, schaal 8, en met ingang van 1 januari 2012 de LFNP-functie van Senior Intelligence, schaal 8. De korpschef heeft niettemin onderzocht of betrokkene feitelijk toch, gedurende de vereiste periode van minimaal drie jaar voorafgaand aan 1 juli 2016, ononderbroken de werkzaamheden van een Operationeel Specialist A, schaal 9 heeft verricht. De korpschef heeft geconcludeerd dat daarvan geen sprake is geweest en de Raad volgt hem daarin.

4.5.

De Raad stelt vast dat in de gedingstukken geen feitelijke onderbouwing is te vinden voor de stelling van betrokkene dat hij gedurende minimaal drie jaar voorafgaand aan 1 juli 2016, ononderbroken de werkzaamheden van een Operationeel Specialist A, schaal 9 heeft verricht. Juist nu er geen sprake is geweest van een afspraak of opdracht tot vervulling van andere dan de eigen werkzaamheden lag het op de weg van betrokkene om zijn stelling van een voldoende feitelijke onderbouwing te voorzien. Betrokkene is daar niet in geslaagd. De door betrokkene in het geding gebrachte, door T, teamchef, en D, coördinator Analyse & Onderzoek, gezamenlijk ondertekende verklaringen van respectievelijk 6 april 2017 en 11 september 2018 zijn in dit opzicht niet toereikend te achten. T en D hebben in genoemde verklaringen immers slechts in algemene termen, zonder concrete onderbouwing, als hun opvatting te kennen gegeven dat in het geval van betrokkene in overwegende mate is voldaan aan de niveaubepalende elementen van de functie van Operationeel Specialist A. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte doorslaggevende betekenis toegekend aan de verklaringen van T en D. De Raad tekent in dit verband nog aan dat hij ook overigens in de gedingstukken geen onderbouwing heeft gevonden voor de stelling van betrokkene. Alleen al om deze reden kan niet worden gezegd dat betrokkene voldoet aan de voorwaarden van de Notitie en de Aanvulling, waar het de gevraagde LFNP-functie van Operationeel Specialist A, schaal 9, betreft.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep van de korpschef slaagt. Niet gebleken is van een aanleiding tot toepassing van de hardheidsclausule buiten de Notitie en de Aanvulling om. De Raad zal dan ook de aangevallen uitspraak vernietigen en het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 15 februari 2017 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2020.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) R.I.S. van Haaren