Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:864

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2020
Datum publicatie
07-04-2020
Zaaknummer
17/6216 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aangevallen uitspraak 1. Buiten bespreking worden gelaten een groot aantal gronden in beroep en hoger beroep, die niet kunnen worden herleid tot de bestreden besluiten die in deze procedures ter toetsing staan. Appellant kan niet worden gevolgd in het standpunt dat het onderzoek van het Uwv onzorgvuldig was. Het oordeel van de rechtbank dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 9 september 2016, wordt eveneens onderschreven. In wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gezien te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Ook in hoger beroep zijn geen medische informatie ingediend die zijn stellingen ondersteunen. In aanmerking genomen wat in deze uitspraak is overwogen heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellant de wachttijd van 104 weken niet heeft vervuld. De Raad is van oordeel dat ook de procedurele gronden van appellant geen doel treffen. Aangevallen uitspraak 2. In hoger beroep heeft appellant in essentie hetzelfde aangevoerd als in beroep bij de rechtbank. De rechtbank is ingegaan op de kern van de door appellant aangevoerde gronden en heeft op goede gronden geoordeeld dat daaruit niet kan worden afgeleid dat sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellant en [BV 2] en/of [BV 3] (dan wel [BV 4] ). De Raad sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank en ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Ook de door appellant in hoger beroep overgelegde stukken geven geen aanleiding om te twijfelen aan het oordeel van de rechtbank. Het verzoek tot schadevergoeding. Omdat de rechtbank in deze zaak niet als bestuursorgaan heeft gehandeld en de Raad niet bevoegd is het tegen de rechtbank gerichte verzoek tot schadevergoeding te behandelen, heeft de rechtbank Overijssel het verzoek ten onrechte ter behandeling doorgezonden naar de Raad. De Raad zal het verzoek terugzenden naar de rechtbank ter verdere behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6216 ZW, 17/6217 WIA, 17/7137 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 8 september 2017, 16/4955 (aangevallen uitspraak 1) en van 8 september 2017, 17/151 (aangevallen uitspraak 2) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 2 april 2020

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Appellant heeft op 9 juli 2019 een verzoek om schadevergoeding ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland om vergoeding van schade door onrechtmatig handelen van de rechtbank. De rechtbank Noord-Nederland heeft – met toepassing van het Zaakverdelingsreglement van de rechtbank Noord-Nederland – dit verzoek ter verdere behandeling doorverwezen naar de rechtbank Overijssel. De rechtbank Overijssel heeft dit verzoek op 3 december 2019 doorgestuurd naar de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door J.C. Smit. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft vanaf 5 mei 2008 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gewerkt voor [BV 1] ( [BV 1] ). Het dienstverband met [BV 1] is door middel van een op 27 november 2013 getekende vaststellingsovereenkomst geëindigd per 1 februari 2014. Appellant is per 1 december 2013 hersteld geacht door de bedrijfsarts voor de maatgevende arbeid bij een andere werkgever.

1.2

Appellant heeft op 29 januari 2014 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd voor zijn per 1 februari 2014 ontstane werkloosheid voor zijn werkzaamheden voor 40 uur bij [BV 1] . Het Uwv heeft appellant aansluitend tot en met 2 juni 2016 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.3.

Op 26 januari 2016 heeft appellant een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd voor zijn op 11 december 2012 aangevangen arbeidsongeschiktheid.

1.4.

Bij besluit van 9 maart 2016 heeft het Uwv de aanvraag van appellant van 26 januari 2016 om een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet WIA afgewezen.

1.5.

Bij besluit van 30 maart 2016 heeft het Uwv de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) in verband met op 11 december 2012 aangevangen ziekte afgewezen.

1.6.

Bij brieven van 21 juni 2016 en 5 juli 2016 heeft appellant het Uwv verzocht onderzoek te doen naar het al dan niet bestaan van een arbeidsrelatie tussen appellant en [BV 2] ( [BV 2] ). Appellant heeft tevens verzocht hem per 5 november 2012 een uitkering op grond van de ZW toe te kennen en de kosten hiervan in rekening te brengen bij [BV 2] .

1.7.

Bij vonnis in kort geding van 8 juli 2016 heeft de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam een door appellant tegen [BV 1] en [BV 2] ingestelde loonvordering afgewezen. Daartoe heeft de kantonrechter onder meer overwogen dat voorlopig wordt geoordeeld dat niet is gebleken dat de betermelding op onjuiste gronden is geschied of dat [BV 1] bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst ter zake de herstelmelding of de ZW‑aanspraken van appellant enige mededelingsplicht geschonden zou hebben. Evenmin heeft de kantonrechter voorshands kunnen concluderen dat er tijdens het dienstverband bij [BV 1] een tweede stilzwijgend arbeidsovereenkomst is ontstaan tussen appellant enerzijds en [BV 2] anderzijds.

1.8.

Bij besluit van 16 augustus 2016 heeft het Uwv de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de ZW in verband met op 5 november 2012 aangevangen ziekte afgewezen. Aan het besluit ligt een rapport “Onderzoek verzekeringsplicht voor de heer [naam appellant] ” van 15 augustus 2016 ten grondslag. In dit rapport is geconcludeerd dat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen [BV 2] dan wel [BV 3] ( [BV 3] ) en appellant.

1.9.

Bij besluit van 19 september 2016 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv de bezwaren tegen de besluiten van 9 maart 2016 en 30 maart 2016 ongegrond verklaard. Aan de weigering om een ZW-uitkering toe te kennen heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat vanaf 3 februari 2014 geen sprake is van arbeidsongeschiktheid voor de maatstaf arbeid. Aan de weigering een WIA-uitkering toe te kennen heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellant voor het einde van de wachttijd van 104 weken hersteld is. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 september 2016 ten grondslag.

1.10.

Bij besluit van 18 november 2016 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 augustus 2016 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft in bestreden besluit 2 vastgesteld dat appellant verzekeringsplichtige arbeid heeft verricht voor [BV 1] . Er is echter geen sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellant en [BV 2] of tussen appellant en [BV 3] . Appellant heeft daarom geen recht op ziekengeld.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 19 september 2016 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat het Uwv het bestreden besluit gebaseerd heeft op de conclusie dat appellant per 3 februari 2014 niet arbeidsongeschikt is voor de maatgevende arbeid en dat hij de wachttijd van 104 weken (vanaf 12 december 2012) (dus) niet heeft volbracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv in de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsartsen een toereikende grondslag kunnen zien voor het bestreden besluit. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat in het geval van appellant niet als maatstaf geldt het laatstelijk voor het intreden van de ongeschiktheid tot werken verrichte werk, maar de werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn, als bedoeld in artikel 19, vijfde lid, van de ZW. Hierbij dienen bijzondere verzwarende aspecten van het laatst verrichte werk buiten beschouwing te worden gelaten. De werkgerelateerde klachten door overbelasting en een verstoorde arbeidsverhouding, die tot de uitval van appellant per 12 december 2012 hebben geleid, stonden ten tijde in geding dus niet meer in de weg aan de conclusie om hem geschikt te achten voor de maatgevende arbeid.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 18 november 2016 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank berust het standpunt van het Uwv dat geen sprake is van een dienstbetrekking tussen appellant en [BV 2] of [BV 3] (dan wel [BV 4] ) op een toereikende grondslag. Het Uwv heeft hierbij van belang kunnen achten dat tussen appellant en [BV 2] en/of [BV 3] geen schriftelijke arbeidsovereenkomst is gesloten. Het Uwv heeft ook geen aanknopingspunten hoeven zien voor het aannemen van een mondelinge dan wel stilzwijgend tot stand gekomen arbeidsovereenkomst. Het Uwv heeft hierbij in aanmerking kunnen nemen dat appellant alleen loon heeft ontvangen uit hoofde van zijn dienstbetrekking met [BV 1] en dat het bestuur van [BV 2] en [BV 3] evenals van [BV 1] in handen is van [naam 1] . Verder heeft appellant van belang kunnen achten dat een wijziging van werkzaamheden ook mogelijk is binnen één en dezelfde dienstbetrekking. De rechtbank heeft er in dat verband op gewezen dat in de arbeidsovereenkomst die appellant met [BV 1] heeft gesloten onder artikel 1, derde lid, is aangegeven dat de werknemer gehouden is, indien nodig, andere werkzaamheden te verrichten dan die welke direct verband houden met de functie of op andere tijden of plaatsen te werken dan gebruikelijk, en onder artikel 7 dat de werknemer gerechtigd is opdracht te geven tot het verrichten van overwerk indien de omvang van het werkaanbod daartoe aanleiding geeft en dat een vergoeding voor het verrichten van overwerk wordt geacht in het bruto maandsalaris te zijn inbegrepen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv gelet op het voorgaande het standpunt kunnen innemen dat appellant zijn werkzaamheden, ook voor zover deze voor [BV 2] en/of [BV 3] (dan wel [BV 4] ) hebben plaatsgevonden, heeft verricht uit hoofde van zijn dienstbetrekking met [BV 1] .

3.1.

Appellant kan zich niet met de aangevallen uitspraken verenigen. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij door het Uwv ten onrechte geschikt is geacht voor de maatgevende arbeid op 3 februari 2014. Het onderzoek door de verzekeringsarts is onzorgvuldig geweest. Er is geen Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld, er heeft geen arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden en het Uwv heeft niet onderzocht of de beschrijving van zijn werkzaamheden in overeenstemming is met de werkelijkheid. Hierbij is uitgegaan van de eenzijdige verklaring van de werkgever. Volgens appellant had 5 november 2012 als eerste ziektedag dienen te worden beschouwd, Sindsdien is hij onafgebroken ziek, zoals blijkt uit de door hem overgelegde medische informatie, zodat hij de wachttijd wel heeft vervuld. Na afloop van de 104 weken (en mogelijk eerder met een verkorte wachttijd) had hem een WIA-uitkering moeten worden toegekend. Hij heeft voorts gesteld dat de rechtbank niet alle gronden heeft besproken maar slechts de conclusies van het Uwv heeft herhaald. Daarbij zijn in beroep procedurele fouten gemaakt.

3.2.

Naar de mening van appellant is wat betreft bestreden besluit 2 sprake van meerdere doorlopende dienstbetrekkingen met een loondoorbetalingsverplichting. Volgens appellant is een arbeidsrelatie ontstaan met alle besloten vennootschappen die onder de holding vielen. Het betreffen stilzwijgend tot stand gekomen arbeidsovereenkomsten en mogelijk is sprake van fictieve dienstbetrekkingen. Appellant heeft zich daarbij beroepen op Europese regelgeving en rechtspraak van de Raad. Als er al sprake is van een rechtsgeldige vaststellingsovereenkomst waardoor het dienstverband is geëindigd, dan is deze uitsluitend gesloten met [BV 1] . Appellant heeft aangevoerd dat de gegevens in de polisadministratie onjuist zijn. Het Uwv had nader onderzoek moeten doen naar het bestaan van verzekeringsplicht. Appellant heef voorts gesteld zowel materiële als immateriële schade te hebben geleden en verzocht om vergoeding daarvan.

3.3.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.

Op grond van artikel 23 van de Wet WIA geldt een wachttijd van 104 weken waarin de verzekerde wegens ziekte ongeschikt is geweest voor zijn arbeid, voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een WIA-uitkering.

De weigering van de ZW-uitkering vanaf 3 februari 2014 (bestreden besluit 1)

4.3.

Allereerst merkt de Raad op dat appellant in beroep en hoger beroep een groot aantal gronden heeft aangevoerd die niet kunnen worden herleid tot de bestreden besluiten die in deze procedures ter toetsing staan. Deze zal de Raad dan ook, evenals de rechtbank heeft gedaan, buiten bespreking laten. Voor zover de rechtbank in haar uitspraak niet alle op de bestreden besluiten betrekking hebbende gronden van appellant heeft besproken, verwijst de Raad naar zijn vaste rechtspraak (vergelijk de uitspraak van 8 februari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8746) dat de bestuursrechter niet op alle ingevoerde gronden hoeft in te gaan, maar zich mag beperken tot de kern daarvan.

4.4.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat in het onderhavige geval artikel 19, vijfde lid, van de ZW van toepassing is omdat appellant op de datum in geding geen dienstverband meer heeft.

4.5.

Appellant kan niet worden gevolgd in het standpunt dat het onderzoek van het Uwv onzorgvuldig was. Omdat appellant pas in januari 2016 zijn aanvraag heeft gedaan, heeft het Uwv retrospectief moeten beoordelen of appellant in staat was op 3 februari 2014 de maatgevende arbeid te verrichten. Dit betekent dat voor zover er enige onzekerheid resteert over de medische beperkingen van appellant rond de datum in geding deze voor risico van appellant moeten blijven. Anders dan door appellant is betoogd heeft de verzekeringsarts zich naast zijn eigen onderzoek kunnen baseren op de informatie die voorhanden was en was er geen nader arbeidskundig onderzoek nodig. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank op dit punt, nu zoals de rechtbank terecht heeft opgemerkt, niet gebleken is dat er in dit geval in strijd met protocollen of richtlijnen is gehandeld. Het standpunt van appellant dat een FML had moeten worden opgesteld vindt geen steun in de wet of de jurisprudentie.

4.6.

Het oordeel van de rechtbank dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 9 september 2016, wordt eveneens onderschreven. Daartoe heeft de rechtbank terecht overwogen dat appellant op 5 november 2013 op het spreekuur is geweest bij de bedrijfsarts. Die heeft geconcludeerd dat de restbeperkingen van appellant per 1 december 2013 geen belemmering meer vormen voor een volledige werkhervatting in passende werkzaamheden en appellant per die datum volledig belastbaar heeft geacht voor het tweede spoor, niet bij de eigen werkgever. De werkgerelateerde klachten door overbelasting en een verstoorde arbeidsverhouding, die tot de uitval van appellant hebben geleid, stonden ten tijde in geding niet meer in de weg aan de conclusie om hem geschikt te achten voor de maatgevende arbeid bij een andere werkgever.

Appellant heeft ook zelf op de op 22 november 2013 door hem ingevulde ‘Aanvraag deskundigenoordeel door werknemer’ aangegeven dat hij zich vanaf 1 december 2013 geschikt achtte voor vergelijkbaar werk in een ander bedrijf. Appellant heeft op 29 januari 2014 een WW-uitkering aangevraagd, waarvoor hij per 3 februari 2014 in aanmerking is gebracht en appellant heeft nadien aan zijn sollicitatieverplichtingen voldaan en zich nimmer vanuit de WW ziek gemeld. Voorts heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep rekening heeft gehouden met alle beschikbare medische informatie en dat de door appellant in beroep overgelegde stukken geen nieuwe medische informatie bevatten die zien op de datum in geding. In wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gezien te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellant heeft ook in hoger beroep geen medische informatie ingediend die zijn stellingen ondersteunen. Dit geldt ook voor de door hem gestelde eerdere ziektedatum 5 november 2012. De rechtbank heeft het standpunt van eiser ook op dit punt afdoende weerlegd. Gelet hierop heeft het Uwv terecht vastgesteld dat appellant met ingang van 3 februari 2014 geen recht heeft op ziekengeld.

De afwijzing van de WIA-aanvraag vanaf 10 december 2014 (bestreden besluit 1)

4.7.

In aanmerking genomen wat is overwogen onder 4.3 tot en met 4.6 heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellant de wachttijd van 104 weken niet heeft vervuld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is in zijn rapport van 9 september 2016 tot de conclusie gekomen dat er geen reden is arbeidsongeschiktheid aan te nemen gedurende 104 weken. Wat appellant heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat dit standpunt onjuist is.

4.8.

De Raad is van oordeel dat ook de procedurele gronden van appellant geen doel treffen. Appellant heeft inzage gehad in het hoger beroepsdossier en zowel in beroep als in hoger beroep de gelegenheid gehad om, waar nodig, de gronden aan te vullen en hier ook gebruik van gemaakt.

4.9.

De overwegingen 4.3 tot en met 4.8 leiden ertoe dat de aangevallen uitspraak 1 dient te worden bevestigd.

De weigering van de ZW-uitkering vanaf 5 november 2012 en de vaststelling verzekeringsplicht op grond van een gesteld dienstverband bij [BV 2] (bestreden besluit 2)

5.1.

Aan de orde is de vraag of appellant op 5 november 2012 naast zijn dienstbetrekking bij [BV 1] ook bij [BV 2] en/of [BV 3] (dan wel [BV 4] ) kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van de ZW en of appellant aldus aanspraak kan maken op ziekengeld.

5.2.

Appellant heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het doorzenden door het Uwv van een verzoek tot herziening van appellant. De rechtbank heeft dit beroep doorgezonden naar de Raad. Ter zitting heeft appellant desgevraagd aangegeven dat dit geen zelfstandige bespreking behoeft en dat zijn gronden meegenomen kunnen worden in de beoordeling van het bestreden besluit.

5.3.

Ingevolge artikel 20 van de ZW is de werknemer in de zin van die wet verzekerd. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de ZW is de werknemer de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking staat. Naar vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 15 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1785). Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (zie de uitspraken van de Hoge Raad van 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3887 en van 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8926).

5.4.

Appellant heeft zijn aanvraag tot vaststelling van verzekeringsplicht uit hoofde van een door hem gesteld dienstverband bij [BV 2] gedaan op 21 juni 2016. Het ligt in beginsel op zijn weg om aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat er sprake was van een dienstverband. Dit brengt met zich mee dat appellant aannemelijk dient te maken dat hij ten tijde van de door hem genoemde eerste arbeidsongeschiktheidsdag, 5 november 2012, in privaatrechtelijke dienstbetrekking stond.

5.5.

In hoger beroep heeft appellant in essentie hetzelfde aangevoerd als in beroep bij de rechtbank. De rechtbank is ingegaan op de kern van de door appellant aangevoerde gronden en heeft op goede gronden geoordeeld dat daaruit niet kan worden afgeleid dat sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellant en [BV 2] en/of [BV 3] (dan wel [BV 4] ). De Raad sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank en ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

5.6.

Ook de door appellant in hoger beroep overgelegde stukken geven geen aanleiding om te twijfelen aan het oordeel van de rechtbank. Anders dan appellant heeft gesteld heeft het Uwv voldoende onderzoek gedaan. Het Uwv heeft naast de al aanwezige informatie een gesprek gevoerd met de werkgever op 5 augustus 2016 en de polisadministratie geraadpleegd. Gegeven de voorshands op appellant rustende bewijslast kan niet worden geoordeeld dat op het Uwv een verdergaande onderzoeksplicht rustte. Appellant heeft zijn stelling, dat op enig moment stilzwijgend een arbeidsovereenkomst is ontstaan met [BV 2] en/of [BV 3] (dan wel [BV 4] ) naast zijn dienstbetrekking bij [BV 1] , op geen enkele wijze aannemelijk kunnen maken. Appellant heeft zich beroepen op het feit dat hij gedurende vele (over)uren werkzaamheden zou hebben verricht voor [BV 2] en/of [BV 3] (dan wel [BV 4] ). Dat appellant overwerk heeft verricht staat echter niet ter discussie tussen partijen. Evenmin staat ter discussie dat appellant werkzaamheden heeft verricht voor [BV 2] . Het enkele feit dat zijn werkzaamheden deels ten goede kwamen aan [BV 2] of andere vennootschappen binnen de holding, is als zodanig echter onvoldoende om te concluderen dat met deze vennootschappen een stilzwijgende arbeidsovereenkomst is gecreëerd. Naast hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen, zoals hiervoor onder 2.2 is weergegeven, merkt de Raad nog op dat appellant ten tijde van zijn ziekteperiode in 2012/2013 de werkzaamheden ook zelf heeft gekwalificeerd als overwerk ten behoeve van zijn werkgever [BV 1] . Voor het eerst in zijn aanvraag van 21 juni 2016 heeft appellant een dienstverband gesteld met [BV 2] . Appellant heeft ook overigens zijn stelling niet met feiten gesteld. Voorts kan uit de ter zitting door [naam 2] afgelegde verklaring weliswaar worden afgeleid dat [naam 2] als leverancier contact heeft gehad met appellant bij de uitvoering van een project voor [BV 2] , maar hieruit blijkt niet dat appellant die werkzaamheden heeft verricht in het kader van een rechtsverhouding tot [BV 2] . Nu het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat de werkzaamheden zijn verricht in het kader van zijn arbeidsovereenkomst met [BV 1] , kan reeds om deze reden de beroepsgrond dat sprake is van een fictieve dienstbetrekking met [BV 2] evenmin slagen.

5.7.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak 2 zal worden bevestigd.

Het verzoek tot schadevergoeding

6.1.

Over het verzoek om de rechtbank te veroordelen tot schadevergoeding wordt het volgende overwogen. Op grond van artikel 1.1, tweede lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan de rechtbank niet als bestuursorgaan in de zin van de Awb worden aangemerkt, behoudens de hier niet aan de orde zijnde uitzondering bedoeld in het derde lid van dat artikel. Op grond van artikel 8:88 van de Awb is de bestuursrechter uitsluitend bevoegd om een bestuursorgaan te veroordelen tot schadevergoeding. Nu de rechtbank in deze zaak niet als bestuursorgaan heeft gehandeld en de Raad niet bevoegd is het tegen de rechtbank gerichte verzoek tot schadevergoeding te behandelen, heeft de rechtbank Overijssel het verzoek ten onrechte ter behandeling doorgezonden naar de Raad. De Raad zal het verzoek terugzenden naar de rechtbank ter verdere behandeling.

6.2.

Uit 4.1 tot en met 5.7 volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken zullen worden bevestigd. Gelet op de uitkomst van deze procedures is er geen ruimte voor een veroordeling van het Uwv tot vergoeding van schade. Het verzoek daartoe van appellant zal dan ook worden afgewezen.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraken;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2020.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) R.H. Koopman

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer,

werkgever, dienstbetrekking en loon.