Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:855

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2020
Datum publicatie
06-04-2020
Zaaknummer
18-4988 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de functie als bedoeld in artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement. De minister heeft toereikend onderbouwd dat de beoordeling niet op onvoldoende gronden berust. Conclusie is dat de ongeschiktheid van appellant voor zijn functie door de minister aannemelijk is gemaakt. De minister heeft aan zijn onderzoeksverplichtingen voldaan, maar dat de gestelde medische oorzaak van de functieongeschiktheid niet aannemelijk is geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4988 AW, 18/4992 AW

Datum uitspraak: 2 april 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
1 augustus 2018, 16/7728 en 17/7720 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Justitie en Veiligheid (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.R. Kamerling hoger beroep ingesteld.

De minister heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kamerling. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. K.I. Arts en drs. G.W. Gerritsen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) in werking getreden. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AW 2017, behouden krachtens deze wet genomen besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2020 hun geldigheid. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de AW 2017, blijft ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar of beroep tegen een op grond van deze wet genomen besluit of handeling dat voor 1 januari 2020 is bekendgemaakt, het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 januari 2020.

1.2.

Appellant was sinds 1 april 2009 werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen. Met ingang van 1 januari 2012 is appellant geplaatst bij de [afdeling] in de functie van [functie] .

1.3.

Op 19 juni 2012 heeft een personeelsgesprek plaatsgevonden over het functioneren van appellant in de periode van 1 maart 2012 tot 18 juni 2012. In het daarvan opgemaakte verslag is vermeld dat het functioneren van appellant nog niet voldoende is en is een aantal verbeterpunten opgenomen. Vanaf 24 september 2012 is appellant langere tijd arbeidsongeschikt geweest. Na een periode van re-integratie in aangepaste werkzaamheden is appellant in 2013 opnieuw uitgevallen. In 2014 is hij in een opbouwend schema gestart met re-integratie in het eigen werk. Op 6 november 2014 heeft een personeelsgesprek plaatsgevonden over het functioneren in de periode 1 december 2013 tot 5 november 2014. In het verslag is vermeld dat appellant, mede door het langdurig ziekteverlof, nog geen ontwikkeling heeft laten zien. Per 1 februari 2015 is appellant volledig hersteld gemeld en was geen sprake meer van aangepaste werkzaamheden in omvang of zwaarte.

1.4.

Op 17 maart 2015 is appellant een functioneringstraject van zes maanden aangezegd. Daarbij zijn vier concrete ontwikkelpunten geformuleerd, waarop appellant zijn functioneren dient te verbeteren. Op 14 april 2015, 28 mei 2015, 23 juni 2015, 13 juli 2015 en 18 augustus 2015 hebben voortgangsgesprekken plaatsgevonden. Op 13 oktober 2015 heeft appellant zich ziek gemeld. Nadien is sprake geweest van periodes van ziekteverzuim, afgewisseld met hervattingen in opbouwschema’s en in aangepast werk.

1.5.

Op 9 november 2015 is over de periode van 17 maart 2015 tot 10 oktober 2015 een beoordeling opgemaakt door beoordelaar W. Er is gebruik gemaakt van drie informanten. De functievervulling in haar geheel is beoordeeld als onvoldoende. Appellant heeft schriftelijke bedenkingen ingediend. Nadat appellant en de drie informanten waren gehoord, is de beoordeling bij besluit van 1 maart 2016 gewijzigd vastgesteld, waarbij de functievervulling in haar geheel nog steeds als onvoldoende is beoordeeld.

1.6.

Appellant heeft tegen het besluit van 1 maart 2016 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 11 augustus 2016 (bestreden besluit 1) heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard.

1.7.

Na een voornemen daartoe kenbaar te hebben gemaakt, waarop appellant zijn zienswijze heeft gegeven, heeft de minister bij besluit van 18 mei 2016, aangevuld bij besluit van 30 mei 2016, appellant met ingang van de dagtekening van eerstgenoemd besluit ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor zijn functie als bedoeld in artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Bij besluit van 16 oktober 2017 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluit 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

Bestreden besluit 1

4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat de beoordeling in strijd met het Beoordelingsvoorschrift Ministerie van Justitie 2000 (Beoordelingsvoorschrift) is opgemaakt door slechts één beoordelaar. Hierin wordt hij niet gevolgd. Het Beoordelingsvoorschrift kent het uitgangspunt dat meer dan één beoordelaar wordt aangewezen. Bepaald is verder dat indien slechts één beoordelaar kan worden aangewezen, één of meer informanten worden aangewezen. Hieruit volgt niet dat, zoals appellant stelt, één of meer van de in dit geval betrokken informanten als (mede)beoordelaar had of hadden moeten worden aangewezen. Dat W in dit geval als enige beoordelaar is opgetreden valt overigens te rechtvaardigen tegen de achtergrond van zijn rol in het functioneringstraject en de uitval per 1 juni 2015 van het toenmalige afdelingshoofd.

4.2.

Appellant heeft zich verder beroepen op de periodes van langdurige arbeidsongeschiktheid die vooraf zijn gegaan aan het functioneringstraject. Hij is van mening dat in dat traject onvoldoende rekening is gehouden met zijn medische situatie. Ook dit betoog slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 23 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2444) staan langdurige periodes van gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid niet in de weg aan het opmaken van een beoordeling en wordt deze daardoor niet onzorgvuldig of irreëel. De beoordeling behoort wel alleen betrekking te hebben op het functioneren op dagen of uren van arbeidsgeschiktheid. Over die dagen of uren hoeven geen lagere eisen aan het functioneren van de ambtenaar te worden gesteld dan gebruikelijk. Aan de gezondheidstoestand van de ambtenaar komt in die zin slechts geringe betekenis toe. In dit geval was er gedurende het beoordelingstijdvak geen sprake van (uren of dagen van) arbeidsongeschiktheid. Dat tot een verbetertraject met als sluitstuk een beoordeling is overgegaan, waarbij appellant ten volle aan de voor hem geldende functie-eisen is gehouden, is dus niet als onjuist te beschouwen.

4.3.

Volgens eveneens vaste rechtspraak (uitspraak van 25 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9421) kunnen omstandigheden die het functioneren negatief beïnvloed zouden kunnen hebben, niet leiden tot hogere scores dan op grond van het feitelijk functioneren gerechtvaardigd is. Dergelijke omstandigheden kunnen hooguit invloed hebben op de aan de beoordeling in rechtspositionele sfeer te verbinden gevolgen. Appellant heeft de Raad verzocht deze rechtspraak te heroverwegen. De Raad ziet in wat appellant heeft aangevoerd echter geen reden om in dit geval niet overeenkomstig bedoelde rechtspraak te oordelen. De medische voorgeschiedenis van appellant maakt dus evenmin dat de wijze waarop zijn functioneren is beoordeeld geen stand zou kunnen houden.

4.4.

Ook overigens ziet de Raad in wat appellant heeft aangevoerd geen reden de beoordeling voor onjuist te houden. De toegekende scores zijn uitvoerig gemotiveerd en in lijn met de eveneens uitvoerige verslagen van de voortgangsgesprekken. Daarbij zijn concrete voorbeelden genoemd en de door appellant aangedragen bedenkingen zijn, eerst in de bedenkingenfase en vervolgens nogmaals in bezwaar, gemotiveerd weerlegd. Al met al heeft de minister toereikend onderbouwd dat de beoordeling niet op onvoldoende gronden berust.

4.5.

Het overwogene onder 4.1 tot en met 4.4 betekent dat het hoger beroep niet slaagt voor zover het bestreden besluit 1 betreft.

Bestreden besluit 2

4.6.

Voor zover appellant heeft betoogd dat het ontslag geen stand kan houden op grond van wat hij heeft aangevoerd tegen de (totstandkoming van) de beoordeling, maakt het overwogene onder 4.1. tot en met 4.4 al dat dit betoog niet slaagt. Appellant heeft nog gewezen op de wijze waarop hij is begeleid en is gecoacht. In dat verband is van belang dat, zoals is overwogen onder 4.2, appellant mocht worden gehouden aan de voor hem geldende functie-eisen. Van appellant mocht dus een zelfstandige functievervulling worden verwacht. Niet kan worden gezegd dat de voor hem geldende verbeterpunten hem onvoldoende duidelijk zijn gemaakt. Die zijn immers uitvoerig toegelicht tijdens de diverse voortgangsgesprekken. Conclusie is dat de ongeschiktheid van appellant voor zijn functie door de minister aannemelijk is gemaakt.

4.7.

Appellant heeft zich verder ook in dit verband beroepen op zijn medische achtergrond. Als die dan geen rol kon spelen in het kader van de beoordeling, dan had die tenminste moeten leiden tot het afzien van het daaraan verbonden rechtspositionele gevolg van ontslag, zo heeft hij betoogd.

4.8.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 30 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:249) geldt dat in geval de ambtenaar als gevolg van ziekte of gebrek ongeschikt is voor zijn functie, het bestuursorgaan niet bevoegd is hem ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid op andere dan medische gronden. In gevallen waarin aanwijzingen bestaan dat de ongeschiktheid van de ambtenaar verband houdt met ziekte of gebrek, of daarover gerede twijfel bestaat, moet onderzoek plaatsvinden naar die eventuele medische oorzaak.

4.9.

In dit geval heeft de minister terecht in de bezwaarfase alsnog aanleiding gezien om te laten onderzoeken of aan de vastgestelde functieongeschiktheid van appellant wellicht een medische oorzaak ten grondslag ligt. Appellant is immers voorafgaand aan het functioneringstraject meermalen langdurig arbeidsongeschikt geweest en in de periode rond het ontslag was daarvan opnieuw sprake. Gelet op de aard van zijn klachten is het aangezochte bureau, Wettstein en Peterse Expertise (WPEX), waar het onderzoek is opgedragen aan I.S. Hernandez-Dwarkasing, psychiater, en D. Koning, GZ-psycholoog, daarvoor geen op voorhand ongeschikte keuze. Dat wordt niet anders doordat genoemde psychiater naar zeggen van appellant tevens werkzaam is bij een instelling die wordt gefinancierd door de minister, wat er van die stelling overigens ook zij. Op voorhand is niet gebleken van een reden om te twijfelen aan de onafhankelijkheid of onpartijdigheid van de onderzoekers.

4.10.

Appellant heeft zijn medewerking aan het onderzoek verleend, maar heeft vervolgens gebruik gemaakt van zijn blokkeringsrecht. Conclusie kan dan geen andere zijn dan dat de minister aan zijn onder 4.8 bedoelde onderzoeksverplichtingen heeft voldaan, maar dat de gestelde medische oorzaak van de functieongeschiktheid niet aannemelijk is geworden. De door appellant aangedragen gronden tegen de wijze waarop het onderzoek van WPEX is verlopen, kunnen dat niet anders maken. Nu appellant geen inzage heeft willen geven in de onderzoeksresultaten, kan de Raad immers niet beoordelen of die gronden al dan niet slagen. Daarbij wordt nog opgemerkt dat het door appellant overlegde verslag van 1 juni 2017 van zijn behandelaar, waarin van een matige depressie wordt gesproken, op zichzelf beschouwd niet de conclusie van een medische oorzaak voor de functieongeschiktheid kan dragen.

4.11.

De minister was dus bevoegd tot het verlenen van het ongeschiktheidsontslag. Dat niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kon worden gemaakt, is niet naar voren gekomen. Het hoger beroep slaagt ook voor zover het bestreden besluit 2 betreft niet. De aangevallen uitspraak komt daarmee voor bevestiging in aanmerking.

4.12.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en C.H. Bangma en

J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2020.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) R.I.S. van Haaren